Lezingen‎ > ‎voorbeeldlezingen‎ > ‎

Wij zijn hier bijeen, de oude plichten indachtig.

Geplaatst 1 apr. 2012 02:09 door Jeroen Ketelaars   [ 1 apr. 2012 02:10 bijgewerkt ]
De Oude Plichten

 

Een bouwstuk van Aat de Jong voor de Achtbare Loge

De Waare Broedertrouw, nr. 32 in Gouda

 
 
 
 
 
 
Deze middag zal mijn bouwstuk betrekking hebben op De Oude Plichten. Ik heb die als “kapstok” gebruikt om daarbij ook iets te duiden over de totstandkoming ervan en de plaats die ze innemen in de huidige vrijmetselarij.
 

Maar eerst even een klein intern onderzoek: Wie van jullie heeft een exemplaar van de Oude Plichten in bezit om die te raadplegen of wie van jullie heeft ze zodanig in het geheugen opgeslagen dat de inhoud altijd paraat is?

“Wij zijn hier bijeen, de Oude Plichten indachtig”. Dat wordt ons keer op keer voorgehouden, dus blijkbaar is het vanzelfsprekend dat we precies weten wat er van ons wordt verwacht. Maar misschien is de kennis erover een beetje weggezakt en in dat verband heb ik gemeend het onderwerp te gebruiken voor mijn bouwstuk.

Als de Oude Plichten ter sprake komen is het voor een juist perspectief goed om iets over de ontwikkeling van de V\M\ in de loop der tijd op een rijtje te zetten en ook de relatie tussen de Landmerken, De Oude plichten (Old Charges) en de Aloude Regels en Plichten (Antient Charges and Regulations)  te verduidelijken. Als bronnen daarbij heb ik The Freeemasons Guide and Compendium van Bernard E. Jones (Harrap 1950) gebruikt en artikelen uit Thot en Wikipedia.

Ontstaansgeschiedenis.

De voorgeschiedenis van de vrijmetselarij is speculatief. Er is de band met de oorspronkelijk Engelse en Schotse steenhouwersgilden die met afspraken en gebaren hun beroep afschermden. Diezelfde steenhouwers hanteerden al de verwijzing naar de tempel van Salomo of de ark van Noach. Later hebben mensen van buiten het beroep die gebruiken overgenomen en aangevuld met bijdragen uit het christendom, het jodendom en het soefisme. Slechts vanaf het begin van de 18e eeuw, en in elk geval vanaf 1717 kan enige objectiviteit in de geschiedenis van de vrijmetselarij worden geschetst.

Aan het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw ontstaat in Engeland en Schotland een aantal verenigingen die regelmatig samenkomen om te vergaderen. Vooral in Schotland was dit populair omdat de Schotse reformatie elke vorm van gezelligheid en verenigingsleven uit de godsdienstbeleving verbannen had. Deze vergaderingen hebben enerzijds een sociaal en gezellig karakter. Anderzijds hebben deze vergaderingen een inhoudelijk of filosofisch karakter. Men komt samen rond een bepaald inhoudelijk thema. Burgers en notabelen met veel tijd en geld wensen zich te profileren en te ontplooien.

Deze samenkomsten worden tevens gekoppeld aan vormelijke elementen. Er wordt gebruikt gemaakt van vormen die verwijzen naar de architecten en steenhouwerssymboliek, zoals die in de middeleeuwen was gegroeid. Dit noemt men speculatieve vrijmetselarij. Dat deze speculatieve vrijmetselarij in continuïteit staat met de middeleeuwse bouwgilden wordt betwist omdat de draad zeer dun is en regelmatig onderbroken. Voorstanders van deze stelling beroepen zich op het bestaan van Schotse documenten, die dit afdoende zouden aantonen. Tegenstanders hebben kritische opmerkingen over de bewijswaarde en doorwerking van deze spaarzame documenten. Speculaties door pseudohistorici zijn aan de orde van de dag. In het beste geval kan men slechts voor Schotland stellen dat de speculatieve vrijmetselarij voortkomt uit de operatieve vrijmetselarij.

Vrij algemeen wordt als “officiële” start van de heden daagse V\M\het jaar 1717 genomen, toen in Londen een viertal loges besloten één obediëntie te vormen. In een recent artikel in Thot wijst Jan den Ouden, voormalig lid van deze loge, erop dat er over die gebeurtenis geen enkel schriftelijk bewijs, ooggetuigenverslag of onafhankelijke bron bestaat. Of het dus echt zo is geweest is niet zeker, slechts aannemelijk.

De Brit James Anderson stelt in 1723 de grondregels vast in zijn boek The Constitutions of Freemasonry. Deze grondregels zijn gebaseerd op de zogenaamde Old Charges (de Oude Plichten) en zijn compilatie van oude constituties en regels van operatieve loges. De constitutie was aldus een versmelting van de Gotische constitutie uit 1390, de Cooke-constitutie uit 1410, de Nigo Jones-constitutie uit 1607 en de Wood-constitutie uit 1610. Deze zijn razendsnel de bijbel van de vrijmetselarij geworden.

Vanuit Londen verspreidt de vrijmetselarij zich vervolgens binnen het Britse rijk, Engeland, Wales, Schotland en Ierland en de kolonies, in het bijzonder de Verenigde Staten. Dit wordt ook wel de Angelsaksische Vrijmetselarij genoemd, in tegenstelling tot de zogenoemde Continentale Vrijmetselarij die zich voornamelijk via Frankrijk over Europa verspreidde. De eerste groep verwijt de tweede irregulier te zijn wat door de continentalen met klem wordt ontkend. Hoe het ook zij, cultuurhistorisch is de grote lijn dat de reguliere vrijmetselarij groeide en toonaangevend is in landen waar het protestantisme sinds de reformatie van 1517 maatschappelijk ingebed is. De irreguliere vrijmetselarij groeide vooral in landen waar het katholicisme het cultuurpatroon beinvloedde.

Sinds het ontstaan van de vrijmetselarij in 1717 en de hedendaagse praktijken hebben er zich bijna driehonderd jaar geschiedenis afgespeeld. Tot op de dag van vandaag zijn er verschillen in vorm en inhoud tussen de beide stromingen. De vraag die daarbij rijst is of de hardliners van beide tradities elkaar voldoende herkennen indien zij elkaars bijeenkomsten zouden bezoeken, met andere woorden: is er wel zoiets als een wereldomvattende broederschap die dezelfde beginselen nastreven?

Reguliere vrijmetselarij.

Op historische gronden noemt de United Grand Lodge of England zich de Motherlodge van alle vrijmetselaars obediënties ter wereld. Feit is dat, samen met de Grand Lodge of Ireland en de Grand Lodge of Scotland, de Britse vrijmetselarij een groot gezag heeft in de hele wereld. Voor de regulieren een vanzelfsprekendheid, voor de irregulieren een onterechte grootheidswaanzin.

Een loge is regulier als ze rechtstreeks erkend wordt door de UGLE of wordt erkend door een obediëntie die erkend is door de UGLE. Na de Tweede Wereldoorlog gaat er echter ook van de Grootloges in de VS een groot gezag uit. Elke staat kent daar een zelfstandige Grootloge.

De UGLE stelt 8 voorwaarden aan regulariteit. Die basic priciples of grand lodge recognition zijn in 1921 vastgelegd. De Amerikaans vrijmetselarij kent 5 voorwaarden.  In de VS is niets dwingend voorgeschreven omtrent de OBDH, het tonen van de Drie Grote Lichten en het exclusieve lidmaatschap voor mannen. Beiden echter noemen nadrukkelijk het naleven van de Landmerken en de Oude Plichten.

Volgens de Angelsaksische vrijmetselarij is een obediëntie irregulier als ze niet voldoet aan de genoemde beginselen en niet door een Britse of Amerikaanse Grootloge wordt erkend. Ruwweg 70 tot 80 % van de internationale vrijmetselarij is aldus regulier en komt in hoofdzaak voor in de Britse eilanden, de Germaanse en Scandinavische landen in Europa, Noord Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en de voormalige Britse koloniën in Afrika, Amerika, Azië en Oceanië.

Irregulariteit.

De irreguliere obediënties stellen dat beperkende voorwaarden niet de essentie van de vrijmetselarij bevatten, en voorkomen uit een historische mystificatie van de vrijmetselarij door de Angelsaksische vrijmetselarij, die haar invloedrijke rol als bron en oorsprong van de vrijmetselarij niet wil verliezen. Zelf verkiezen ze zichzelf als a-dogmatische, liberale, Romaanse of Latijnse vrijmetselarij te benoemen. Zo weigert het a-dogmatische smaldeel van de Latijnse vrijmetselarij officieel volgende kenmerken in haar werking te integreren:

·    het in het teken stellen van de activiteiten van een of ander opperwezen, die Opperbouwmeester van het Heelal (Great Architect of the Universe) wordt genoemd, met het monotheïsme als afbakeningsgrens,

·    het gebruik van het Boek der Heilige Wet,

·    het verbod op politieke en religieuze discussies tussen de leden tijdens de activiteiten.

Qua vorm worden deze elementen weliswaar overgenomen en gedeeld, maar inhoudelijk worden ze ontdaan van hun traditionele interpretaties. Zodoende sluiten zij wel dicht aan bij de Britse en Amerikaanse opvatting over regulariteit, maar inhoudelijk dicht aan bij de a-dogmatische opvattingen van de irreguliere vrijmetselarij.

20 tot 30 % van de internationale vrijmetselarij is als irregulier te bestempelen. Zij zijn toonaangevend in de Romaanse landen van het Europese continent, Zuid-Amerika en de voormalige Franse koloniën in Afrika, Amerika, Azië en Oceanië.

Slechts in enkele gebieden is de richtingenstrijd nog niet beslecht, en wordt in volle hevigheid gevoerd. Dit zijn voornamelijk de Germaanse landen en hun culturele invloedsgebieden in Oost-Europa, en de Slavische landen die op de grens liggen tussen beide cultuurtradities, inclusief Rusland.

Nog steeds zijn er gebieden waar de vrijmetselarij geen voet aan wal krijgt. Dit is voornamelijk zo in gebieden die leven onder één of andere vorm van totalitair bestuur, in casu religieus totalitarisme in islamitische gebieden, en maoïstisch totalitarisme in China en haar kolonies. Hierop bestaan uitzonderingen, zoals Cuba. 

De Landmerken.

Er bestaan Middeleeuwse handschriften met reglementen van bouwvakkersgilden uit de 15e, 16e en 17e eeuw. Aan het begin van de 18e eeuw ontstaat de speculatieve vrijmetselarij, die de vormen van deze middeleeuwse operatieve vrijmetselaars overneemt. Deze vormen werden door James Anderson gedistilleerd uit deze manuscripten, de zogenaamde Old Charges. Deze zijn, samen met the Ancient Landmarks en de Antient Charges and Regulations , terug te vinden in zijn boek, the Constitution of the Free-Masons. James Anderson was een dominee behorende tot de kerk van Schotland.In 1721 kreeg hij de opdracht al de oude en versnipperde constituties te verzamelen en te verwerken tot een geheel. De eerste publicatie van de "The Old Charges" en van de constitutie dateert van 1723.Er was toen sprake van een echte codificatiebeweging, die een sterke invloed op de rest van de maçonnieke wereld zou krijgen..Hij verwerkte nog een tweede editie in 1728.

 "The Old Charges" stonden dus onder redactie van James Anderson maar de echte ideeën waren afkomstig van J. Théophile Désaguliers (1683 - 1744).

De beginselenverklaringen die tegenwoordig in de diverse vrijmetselaarsorganisaties worden vastgesteld zijn hier qua denkbeelden op terug te voeren. Teksten worden in de loop der tijd aangepast aan taalgebruik, opvattingen en nieuwe interpretaties.

Bij regulariteit hoort dus in elk geval de naleving van de Landmerken en de Oude Plichten.

Het begrip landmerk is van bijbelse oorsprong en verwijst naar het begrip grenssteen.

De grenssteen bepaalt de grenzen van een territorium, en bepaalt dus ook automatisch wat niet tot het territorium behoort. Vaste grenzen vermijden conflicten. Het is de erfenis van onze voorvaderen. Grenzen werden ook vastgesteld door de eerste vrijmetselaars. Zij bakenen de grenzen af van de vrijmetselarij, zoals deze oorspronkelijk was geconcipieerd. De toepassing en interpretatie hiervan verandert door de tijd. De kernvraag is in hoeverre nieuwe inzichten van nieuwe generaties kunnen blijven passen in het historische vastgelegde kader. Hieromtrent bestaat binnen de vrijmetselarij discussie en onenigheid.

Het begrip landmerken wordt genoemd in de General Regulations, een onderdeel van de the Constitutions of the Free-Masons van James Anderson van 1723. Daar staat:”Every Annual Grand Lodge has an inherent power and Authority to make new Regulations or to alter these, for the real benefits of this Ancient Fraternity; provided always that the old Land-Marks be carefully preserved.” De definitie werd toen echter niet gegeven. Velen voelden zich geroepen deze definitie aan te reiken.

Hiertoe werd in 1853 een poging ondernomen door Dr. Albert Mackey in zijn boek Jurisprudence of Freemasonry. Hij stelt drie karakteristieken voorop, opdat een beginsel als landmerk zou kunnen worden erkend, namelijk: 1: notional immemorial antiquity de oorsprong is niet vast te stellen omdat die in een zo ver vergeten verleden ligt, 2: universaliteit, altijd en overal werd het toegepast, zonder uitzondering in tijd en ruimte en 3: absolute irrevocabiliteit (onintrekbaarheid), bij verwijdering zou de vrijmetselarij niet meer de vrijmetselarij zijn want een wezenskenmerk zou ontbreken. Op basis hiervan kon hij 25 landmerken vaststellen. Andere auteurs komen tot andere aantallen. Stof tot discussie genoeg dus en het aantal opvattingen is niet meer te tellen.

Albert Pike schreef in 1924:” There is no common agreement in regard to what are and what are not 'Landmarks.' That has never been definitely settled”.

In 1950 kwam de Commission on Information for Recognition of the Conference of Grand Masters of Masons in North America tot slechts drie landmerken, namelijk: 1: monotheïsme, of het onveranderbare en blijvende geloof in één God, 2: de aanwezigheid van een kopie van De Heilige Wet in de logetempel tijdens de werkzaamheden en 3:  het verbod op discussie van politieke of religieuze onderwerpen.

Let wel, hiermee worden weer 2 van de 3 voorwaarden van regulariteit die in de VS daar niet worden genoemd via de achterdeur toch binnen gehaald.

De Landmerken (Landmarks) zijn belangrijker dan de Oude Plichten (Old Charges). De Oude Plichten zijn belangrijker dan de Aloude Plichten en Regels (Antient Charges and Regulations). De gemoederen worden heftig bewogen binnen de vrijmetselarij hieromtrent. Het is een aangelegenheid voor specialisten binnen de vrijmetselarij. 

De Oude Plichten.

De Oude Plichten is een verzamelnaam gegeven aan een aantal middeleeuwse manuscripten, en bevatten historische reglementen van de operatieve bouwvakkersgilden. Ze geven inzicht in de gewoonten en gebruiken van de middeleeuwse operatieve bouwers. Ze zijn beslist niet identiek aan wat we nu de Oude Plichten noemen, maar bevatten wel elementen die daaruit overgenomen zijn. Verschillen zijn opgetreden door onder meer fouten en al dan niet toevallig ingevoerde wijzigingen van degene die een ouder exemplaar kopieerde. Dat ging in die tijd uiteraard nog met de hand omdat de boekdrukkunst nog niet bestond.

Er zijn zo een 131 manuscripten gevonden, waarvan het oudste, het Regius manuscript, dateert van 1389, het Cooke manuscript van het begin van de 15e eeuw. Het eerste gedrukte manuscript van een versie van de OLD Charges is het Plot MS uit 1686.

Veel oude versies bestonden uit meters lange en slechts zo’n 10 cm hoge perkamentrollen.

Her Regius MS is op rijm en is een klein boekje van 5 bij 4 inches op vellum (mooie kwaliteit kalfsperkament) en gebonden in Russisch leer. Het Cooke MS is wat kleiner. Beide bevinden zich in het British Museum. Facsimile’s zijnonder meer uitgegeven door Q.C. Lodge.

Ook deze oudste geschriften hebben uiteraard een bron gehad, maar die kennen we niet omdat dat mondelinge overleveringen moeten zijn geweest die mogelijk nog eeuwen ouder zijn. Het Regius Poem bevat in formatie omtrent handelsgewoonten terwijl het Cooke MS on meer vertelt over traditie en historie.

Er moeten nog veel andere verloren gegane geschriften zijn geweest. Zo is bekend dat in de collectie van de London Company in 1676 een werk, het “Book of the Constitutions of the Accepted Masons” aanwezig was dat daarna verdwenen is.

Het kan heel goed zijn dat belangrijke manuscripten door Broeders zijn verbrand om te voorkomen dat zij in verkeerde handen zouden vallen.

De oude manuscripten bevatten reglementen en voorschriften die moesten worden nageleefd. Deze zijn naar de vorm door de vrijmetselarij gedeeltelijk overgenomen. De oude plichten  zoals we ze nu kennen zijn enige jaren na het ontstaan van de reguliere vrijmetselarij in 1717 door James Anderson opgesteld, waarna deze als grondslag zouden gaan dienen voor de werkwijze der loges en die door de Engelse Grootloge in 1723 werden aanvaard. Andersons 'Oude Plichten' waren gebaseerd op leefregels, werkwijze en plichten van oude bouwgilden, die in besloten gezelschappen waren georganiseerd.

Een merkwaardige verwijzing is te vinden in het Landsdowne MS (circa 1600). Dit verwijst naar Karel van Martel, een belangrijk historisch figuur in de Franse geschiedenis. Hij versloeg in het jaat 732 bij Poitiers de Saracenen en voorkwam zo dat Frankrijk onder Moors juk zou komen. Zo werd hij de “redder van het Cristendom”. Hij hielp een koning op de Franse troon, maar was zelf eigenlijk als Hertog van Frankrijk de sterke figuur. Zijn zoon was Karel de Grote.

Het Lansdowne MS zegt dat hij masons te werk stelde en hen plichten en goede manieren oplegde. Hij gaf hen de gelegenheid bijeenkomsten te houden en behandelde hen goed.

Het Franse martel betekent hamer als de werktuigen die door steenhouwers wordt gebruikt. Er wordt  nog steeds gediscussieerd of een en ander als folklore kan worden afgedaan of dat er toch een meer dan toevallige relatie bestaat met de ontwikkeling van de vrijmetselarij.

In de eerste Engelse loges werden de Oude Plichten bij plechtige gelegenheden en feesten voorgelezen, zoals voorheen ook in de operatieve loges werd gedaan. Deze oude plichten worden ingeleid met een aanroeping van de Drievuldigheid. Voorts bevatten zij een legendarische geschiedenis van de vrijmetselarij alsook een opsomming van morele en professionele voorschriften.

Het gebruik van de Oude Plichten was niet beperkt tot de Engelse loges. In 1670 werd in de Schotse loge in Aberdeen de toen bestaande versie opgelezen bij de aanneming van leerlingen en vermoedelijk ging dat in andere Schotse loges op dezelfde manier.

Antient Charges and Regulations

Dit is een lijst van voorschriften die zijn opgenomen in The Book of Constitutions of the United Grand Logde of England. Voorbeelden zijn: het bestaan van slechts drie graden van leerling, gezel en meester.

Beginselverklaring.

De beginselverklaring van het Grootoosten der Nederlanden bevat een combinatie van eerdergenoemde beginselen.

De strekking van de oude plichten.

Wij zijn hier bijeen, de oude plichten indachtig. Laten we dus nog eens de revue laten passeren wat we nu precies indachtig zijn. Ik zal dus kort weergeven, al is het maar bij wijze van instructie, wat de oude  plichten behelzen.

1.   Betreffende God en de Godsdienst

Het begint al goed. In de allereerste zin staat dat de maçon de zedewetten volgt en in geen geval een stompzinnige Godloochenaar noch een ongodsdienstige libertijn is. Hiermee is de toon gezet .

2.   De Burgerlijke Overheid

De maçon is een vreedzaam onderdaan van het burgerlijk gezag van het land waar hij woont en werkt. Hij smeedt dus geen complotten en samenzweringen en gedraagt zich plichtmatig. Als een maçon een rebel is tegen de staat moeten zijn broeders medelijden met hem hebben maar hij kan niet van de Loge worden uitgesloten.

3.   De Loge

Elke Broeder onderwerpt zich aan de regels en verordeningen van zijn eigen loge. Geen lid mag afwezig zijn, tenzij de Achtbare Meester of de Opzieners gebleken is dat hij noodzakelijk verhinderd is. Om toegelaten te worden moet men een goede, trouwe man zijn, vrij zijn geboren (er was in die tijd nog slavernij!), volwassen en niet van onzedelijke of kwalijk befaamde naam zijn.

4.   Meesters, opzieners, gezellen en leerlingen

Een meester of opziener wordt alleen verkozen vanwege persoonlijke verdienste en niet wegens ouderdom. Een meester mag geen leerling aannemen waarvoor hij geen voldoende arbeid heeft of die een verminking of lichaamsgebrek heeft die hem ongeschikt maakt om de Kunst te leren.

Verder wordt aangegeven welke functies men heeft te vervullen alvorens opziener, meester of zelfs Grootmeester te kunnen worden. Ook al is men van adellijke geboorte, een uitstekend geleerde of met andere kwalificaties voorzien, dan nog geldt de genoemde volgorde.

5.   De arbeid

Het bekwaamste lid van de loge wordt gekozen tot meester. De leden noemen elkaar broeder en zullen zich in en buiten de loge behoorlijk gedragen.

De meester moet het werk billijk verdelen en zal geen broeder of leerling meer loon geven dan die verdient. De maçons moeten de meester trouw zijn en hun werk eerlijk uitvoeren.

De opziener moet trouw zijn aan de meester en de broeders en toezicht houden op het werk. De broeders zullen hem gehoorzamen.

De broeders moeten onderwezen worden en alle werktuigen die hij gebruikt moeten worden goedgekeurd door de Grootloge.
 

6.   Het gedrag

a.       In de loge

Er zal niet afzonderlijk overlegd of vergaderd worden zonder kennis van de meester. De meester en opzieners worden niet in de rede gevallen. Er worden geen grappen of grollen te berde gebracht als de loge met ernstige zaken bezig is. Er wordt geen onbehoorlijke taal gebezigd en de meester en opzieners ontvangen de verschuldigde achting en worden in ere gehouden.

Een aanklacht tegen een broeder wordt binnen de loge onderzocht en afgehandeld. Nooit zal een zaak voor de rechter gebracht worden zonder dat de loge de onvermijdelijke noodzakelijkheid daarvan heeft vastgesteld.

b.       In de loge na de arbeid.

De broeders mogen zich in onschuldig vermaak verheugen, elkaar onthalen, maar buitensporigheid vermijden. Er wordt niets gedaan dat een ongedwongen verkeer belemmert omdat daarmee de eendracht wordt verstoord en de loffelijke bedoelingen worden verijdeld.

Geen persoonlijke geschillen worden besproken evenmin als aangelegenheden betreffende religie en politiek.

c.       Ontmoetingen buiten de loge zonder aanwezigheid van vreemden.

Men zal elkaar beleefd groeten en elkaar broeder noemen.

d.       Ontmoetingen buiten de loge in tegenwoordigheid van vreemden die geen maçon zijn.

Wees voorzichtig in woord en gedrag zodat ook de scherpzinnigste vreemdeling niet in staat is te ontdekken wat niet geschikt is aan hem geopenbaard te worden.

e.       Thuis en in uw omgeving

Handel als een zedelijk en wijs man en maak vooral uw familie, vrienden en buren niet bekend  met aangelegenheden betreffende de loge. Blijf niet te laat en te lang van huis na sluiting van de loge en voorkom zwelgerij en dronkenschap opdat uw gezin niet verwaarloosd of gekrenkt wordt en u zelf niet ongeschikt wordt voor de arbeid.

f.       Tegenover een vreemde broeder

Onderzoek hem omzichtig om niet bedrogen te worden door e en onwetende valse bedrieger. Als het een trouwe en echte broeder is, dan moet u hem overeenkomstig behandelen. Als hij in nood verkeert moet u hem naar vermogen helpen.

Tenslotte wordt meegedeeld dat de maçon al de voor vermelde plichten in acht moet nemen en de broederlijke liefde moet beoefenen, alle twist, tweedracht, laster en achterklap moet vermijden.

Bij conflicten tussen broeders zullen medebroeders hun bemiddeling aanbieden en de strijdende broeders zullen dat dankbaar aannemen.

De oude plichten worden afgesloten met de woorden:

 

Amen so Mote it be.

Comments