Lezingen‎ > ‎voorbeeldlezingen‎ > ‎

Katharen: Oorsprong, Beginselen en Vervolgingen

Geplaatst 11 mrt. 2011 10:17 door Jeroen Ketelaars   [ 20 apr. 2011 01:11 bijgewerkt ]

        1.
    Inleiding

 
Deze lezing werd op 8 maart 20110 verzorgd door Aat de Jong.
De Katharen of Albigenzen waren een christelijke religieuze groepering die actief was tijdens de late Middeleeuwen in Occitanië, of ook wel de Languedoc, het zuiden van Frankrijk en die, minder bekend, ook in West-Duitsland veel aanhangers had. De Katharen beschouwden zich als de ware christelijke Kerk, waarin Jezus de centrale plaats innam. Op basis van hun dualistische opvattingen wezen ze het Oude Testament af. De God die daar ten tonele wordt gevoerd, is schepper van de (slechte) stoffelijke wereld, de Demiurg, zo leerden zij. De Albigenzen werden als ketters aangezien en door de Rooms-katholieke Kerk en door de Franse koningen bloedig vervolgd.
Uitgangspunt bij het opstellen van deze voordracht is geweest het boek “Montaillou Een ketters dorp in de Pyreneeen 1294 – 1324”, maar al zoekende is ook andere literatuur en ook materiaal van Wikipedia aan de orde gekomen.
 
 

        2.    Naamgeving

Degenen die wij tegenwoordig gewoonlijk 'katharen' noemen kenden zelf dat woord niet eens en gebruikten het dus ook niet om zichzelf daarmee aan te duiden. Zijzelf noemden zich gewoonweg christenen of "vrienden van God". In de kronieken van de tijdgenoten van de Katharen en in de inquisitieverslagen werden ze Albigenzen genoemd, naar de stad Albi. In de volksmond noemde men ze in hun eigen tijd bonhommes of bonnefemmes, de "goede mannen", "goede vrouwen", en dat ten onderscheid van de vertegenwoordigers van de Rooms-katholieke Kerk.

Halverwege de 12e eeuw komt het woord "kathaar" voor de eerste keer voor in een preek van de Duitse monnik Eckbert von Schonau. Maar hij heeft het dan over christenen in het Rijnland die afgeweken zijn van de rechte leer die hij "Katharos" noemt. Een halve eeuw later wordt dat woord ook gebruikt buiten Duitsland in geschriften van tegenstanders van hun afwijkende leer. Gebruik in de toenmalige Languedoc is niet teruggevonden. Alain de Lille, een katholieke theoloog, schreef in "De Fida Catholica" ("Over het katholieke geloof", Montpellier 1200) onder meer : "Men noemt ze Katharen van catus (kat) omdat ze het achterste van een kat kussen..." Katten werden geassocieerd met satanisme. In het Rijnland en ook in onze streken werd een kat gezien als de verpersoonlijking van Satan.

In 1848 schrijft Charles Schmidt, een Elzasser, de "Geschichte der Valdesier und Katharer"; in het Frans wordt de titel "Histoire et doctrine de la sekte des Cathares ou Albigeois" (1848). Pas daarna wordt het gebruikelijk om degenen die eerst Albigenzen werden genoemd 'kathaar' te gaan noemen. Het woord "kathaar" in de betekenis waarin we het thans over katharen hebben, werd dus pas voor het eerst gebruikt in de 19e eeuw, vele eeuwen na de tijd van de katharen zelf.

Vanuit de esoterie heeft men meer recent de link gelegd tussen "kathaar" en het Griekse woord "catharos" wat "gereinigd" betekent. Een argument werd gevonden bij Augustinus die een Afrikaanse manicheïsche sekte beschrijft die zich "catharoi" of "zuiveren" noemde; deze leefden echter in de 4e eeuw. Er is geen enkele historische aanwijzing dat de Albigenzen zelf het woord "catharos" of "catharoi" als een positieve aanduiding voor hun aanhangers gebruikten.

Iets dergelijks betreft het woord "parfait" of "volmaakte". De kathaarse geestelijken noemden zichzelf niet "volmaakten", maar gewoon "christenen" of "ware christenen". Het Franse woord "parfait" is afkomstig van de inquisitie. Iemand die het consolamentum had ontvangen, werd door de inquisitie een "volmaakte ketter" genoemd, in het Latijn "hereticus perfectus", later ingekort tot "perfectus" of "parfait”. De term "parfait" is dus een aanduiding van de inquisitie, en niet van de Katharen zelf.

3.    Oorsprongen

Vanaf de tiende eeuw worden zowel de Westerse als de Oosterse Kerken geconfronteerd met een heropleving van gnostische stromingen. Ook het Katharisme vindt zijn oorsprong in deze dualistische geloofsopvattingen zoals de gnostiek, het paulicianisme en de leer van de bogomielen[1].

a.    Gnostiek

De gnostiek is een verzamelnaam voor een brede waaier aan religieuze stromingen en mystieke tradities binnen het vroege christendom, die hun bloeitijd beleefden in de eerste, tweede en derde eeuw na Christus en deels teruggrepen op oude (paganistische[2]) tradities van voor onze jaartelling.

De gnostiek is opnieuw onder de aandacht gekomen door de vondst van 52 geschriften bij Nag Hammadi in Egypte (1945). Onder deze geschriften bevinden zich merendeels gnostische en gnostiserende teksten.

Sommige hedendaagse historici neigen er naar de gnostiek een invloedrijke positie te verlenen in de wordingsgeschiedenis van het vroege christendom. Op het Concilie van Nicaea in 325 aanvaardde de Kerk onder druk van keizer Constantijn de Grote de Geloofsbelijdenis van Nicea. Hoewel de inhoud van deze geloofsbelijdenis vooral gericht was tegen het arianisme[3] verwierp de belijdenis ook gnostieke leringen.

     i.        Verwantschap met Katharen en hermetisme

De vondst van de Nag Hammadi-geschriften heeft een opmerkelijke verwantschap doen zien tussen de vroegchristelijke gnostiek en de Katharen uit de twaalfde en dertiende eeuw. Men veronderstelt daardoor een onderbroken verband tussen de Katharen en de gnostici uit de eerste eeuwen, ook al is dat niet overtuigend aangetoond.

De gnostiek syncretiseert meer van de in de klassieke oudheid wijdverbreide hellenistische filosofische opvattingen dan het orthodoxe christendom en is zodoende verwant aan niet-christelijke stromingen met dezelfde filosofie, zoals de hermetische gnosis waarvoor de belangstelling tijdens de Renaissance weer opleefde. De christelijke gnostiek uit de eerste eeuwen, het katharisme uit de twaalfde en dertiende eeuw, de Renaissance met zijn belangstelling voor het hermetisme zijn in culturele zin aan elkaar verwant omdat ze alle het belang van het individu onderstrepen. Sommigen zien zelfs een verband met de latere Aufklärung. Dan zouden de gnostiek, het katharisme en de Renaissance op gelijksoortige wijze de voorbodes zijn van wat later de moderniteit wordt genoemd. Dat overigens het orthodoxe christendom ook niet gevrijwaard bleef van 'paganistisch' gedachtegoed getuigt bijvoorbeeld de introductie van de Logos in het evangelie van Johannes.

    ii.        Paulicianen

De Paulicianen vormden in het Armeense Kibossa in de 7e eeuw een gnostische religieuze stroming die zich ontwikkelde naast de christelijke kerk.

Het dualisme dat de tegenstelling tussen geest en stof absoluut wilde maken, zoals vroeger de gnosis en het manicheïsme, herleefde bij de Paulicianen sinds ongeveer 650. De Paulicianen baseerden zich uitsluitend op Paulus' brieven en op de evangeliën. De Paulicianen vonden de rest van de bijbelse boeken duivels. Ze verwierpen elk samengaan tussen kerk en staat en vonden de kerk veel te materialistisch.

Over de oorsprong van het Paulicianisme is weinig bekend, maar mogelijk heeft naast het Manicheïsme ook het Nestorianisme[4] een rol gespeeld.

De Paulicianen werden vervolgd in Armenië tijdens keizerin Theodora. Later werden de Paulicianen voor militaire doelen ingezet op de Balkan (970), waar hun inzichten doorwerkten op de bogomielen in de tiende eeuw. Via de Paulicianen en bogomielen belandde vermoedelijk gnostisch en manichees[5] materiaal in de gnostische stroming van de Katharen.

   iii.        Bogomielen

In de tiende eeuw ontstond in Oost-Europa (Bulgarije) de Kerk der Bogomielen, genaamd naar hun stichter, de priester Bogomiel (hij die door God bemind wordt). In twee eeuwen tijd verspreidde zich zijn beweging over Servië, Bosnië, Macedonië en Klein-Azië. In de twaalfde eeuw stichtte de Macedonische monnik Basil een Bogomielse gemeente in Constantinopel. Hij werd onder valse voorwendsels bij keizer Alexius I uitgenodigd, gegrepen en verbrand nadat hij weigerde zijn eigenzinnige geloofsopvatting te herzien.

                                         i.    Religie

De Bogomielen hingen een wereldbeeld aan dat gekenmerkt door een metafysisch (bovenzinnelijk) dualisme, waarin de geschapen materiële wereld slecht is en de geestelijke goddelijke wereld goed. Deze visie ontleenden de Bogomielen aan gnostische stromingen en vooral aan het Manicheïsme.

                                        ii.    Dualistisch wereldbeeld

De onrechtvaardigheid in de wereld en de wantoestanden in de toenmalige kerk hebben de Bogomielen beïnvloed in het ontvankelijk worden voor de overtuiging dat uiteindelijk alles in de wereld kwaad is. Hieruit ontwikkelden zich opvattingen, die sterk van het christendom afweken en die de grondslag vormden voor de latere vervolging van de Bogomielen.

 


 

4.    Geschiedenis

Het gebied dat nu bekend staat als de Languedoc maakte in het begin van de dertiende eeuw officieel geen deel uit van Frankrijk.

Het was een onafhankelijk vorstendom, waarvan de taal, cultuur en politieke instelling meer gemeen hadden met de koninkrijken Leon, Aragon en Castilie in Spanje, dan met die in het noorden. Het gebied werd geregeerd door enkele adellijke families, waarvan het huis Trencavel en de graven van Toulouse de belangrijkste waren. Binnen de grenzen van het gebied bloeide een cultuur die de meest ontwikkelde en wereldse was in de christelijke wereld. In tegenstelling tot de opvattingen daarover in Noord-Europa stond leren hier in hoog aanzien. Filosofie en andere intellectuele bezigheden floreerden; in Lunel en Narbonne bloeiden scholen die zich wijdden aan de Kabbala, de oude esoterische traditie van het judaisme[6]. Zelfs de adel was geletterd en vertrouwd met literatuur, en dat in een tijd waarin de meeste edellieden in het noorden niet eens hun naam konden schrijven.

In Occitanië konden de Katharen aanvankelijk uitgroeien tot een echte "tegenkerk". Het toenmalige culturele klimaat in Zuid-Frankrijk dat gekenmerkt werd door pluriformiteit en verdraagzaamheid, speelt daarin een grote rol. Al deze stromingen, ook de Katharen in Zuid-Frankrijk, ondervonden grote tegenstand van de Rooms-katholieke Kerk, aanvankelijk zonder succes.

In 1145 wordt Bernard van Clairvaux naar Zuid-Frankrijk gestuurd om de Katharen te overtuigen zich terug bij de Katholieke Kerk aan te sluiten. Zijn preken vinden geen gehoor. Hij wordt zelfs enkele malen door de plaatselijke bevolking uitgejouwd. Hetzelfde geldt voor de prediking in 1206 door Dominicus Guzman, de latere stichter van de Dominicanerorde.

a.    1209 Start Albigenzische Kruistochten

 

Het ontkennen van de autoriteit van de Katholieke Kerk door de Albigenzen, samen met de wereldlijke ambities van de paus en de conflicten tussen de Occitaanse adel en de koning van Noord-Frankrijk leidden tot een openlijke oorlog tegen de Katharen.

Paus Innocentius III besluit dat tegen de Albigenzen krachtig moest worden opgetreden. In 1209 slaagt hij erin een leger te verzamelen voor een kruistocht naar Occitanië. De Franse koning koning Filips-August geeft zijn baronnen toestemming om mee te strijden. Hij neemt zelf niet aan de kruistocht deel. De kruisvaarders droegen een kruis op hun kleding en konden een volledige aflaat en zekerheid van een plaats in de hemel verdienen. Ook al het geroofde goed mochten zij behouden.

In 1209 raasde ten gevolge daarvan een leger van zo’n dertigduizend ridders en soldaten als een wervelwind over de Languedoc,. In de daaropvolgende oorlog werd het hele gebied verwoest, oogsten vernietigd, steden en dorpen geplunderd en de bevolking aan het zwaard geregen. Dit gebeurde op zo'n grote, verschrikkelijke schaal dat het misschien wel de eerste 'volkerenmoord' uit de moderne Europese geschiedenis is geweest.

Op 22 juli 1209 werd de stad Béziers ingenomen. Op de vraag hoe men de ketters kon onderscheiden van de katholieken, antwoordde de pauselijke gezant Arnaud Amaury "Tuez-les tous, Dieu reconnaîtra les siens." (Dood hen allen, God zal de zijnen herkennen).  Er werden 20.000 mannen, vrouwen en kinderen afgemaakt en de stad werd platgebrand. In het boek 'Het Heilige bloed, de heilige graal' van Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln wordt de kruistocht kort beschreven.

Een en ander typeert de fanatieke geloofsijver en bloeddorst waarmee de gruwelijkheden werden begaan. Dezelfde vertegenwoordiger van de paus schreef trots aan Innocentius III dat 'noch leeftijd, noch geslacht, noch status werd gespaard'.

Na Béziers trok het invasieleger de hele Languedoc door. Perpignan, Narbonne, Carcassonne, Toulouse, alle vielen ze. De overwinnaars lieten een spoor van bloed, dood en slachting achter.

In juli 1210 worden in Minerve 140 Katharen levend verbrand. Het is de eerste massale verbranding van Katharen. Later - en nadat andere edelen uit het kruisvaardersleger geweigerd hadden - neemt Simon de Montfort, een lage edelman uit Noord-Frankrijk, de militaire leiding op zich. Met Simon de Montfort wordt de kruistocht een echte veroveringsoorlog en worden de inbreng van de Kerk en de godsdienstkwestie naar het tweede plan verschoven.

In juni 1215 verovert Simon de Montfort Toulouse en kan hij zich meester van Zuid-Frankrijk noemen. In november 1215 bevestigt het vierde concilie van Lateranen de overwinning van de Montfort; hij krijgt de titel van graaf van Toulouse. Hij sneuvelt echter in 1218. De verdreven edelen, de faidits, komen op aansporen van Raymond VII, de zoon van de verdreven graaf Raymond VI van Toulouse, in opstand en verdrijven de kruisvaarders in 1223. Op 15 januari 1224 verlaat Amaury de Montfort, zoon van Simon de Montfort, met de laatste kruisvaarders Carcassonne.

In 1226 lukte het paus Honorius III de Franse koning Lodewijk VIII, bijgenaamd Lodewijk de Leeuw, te overtuigen zelf een kruistocht te leiden. Zijn vader had dit steeds geweigerd. Dankzij ingenieuze propaganda ontvangen de faidits de koning welwillend. Lodewijk VIII overlijdt echter het zelfde jaar en het leger van de koning wordt uit Occitanië verdreven.

De nieuwe koning Lodewijk IX van Frankrijk, de Heilige Lodewijk, is nauwelijks twaalf jaar als hij zijn vader opvolgt. Zijn moeder Blanca van Castilië treedt op als regentes. Zij heeft aanvankelijk weinig belangstelling voor een nieuwe kruistocht.

In 1232 heeft paus Gregorius IX bevel gegeven aan de Dominicanen om de taak van de inquisitie op zich te nemen. Deze inquisitie gaat na de val van Montségur de hoofdrol spelen in de vervolging van de Albigenzen. Wat resteerde van parfaits en croyants wordt opgeruimd. Dit gaat door tot het begin van de 14e eeuw, toen Jacques Fournier, de bisschop van Pamiers, de latere Paus Benedictus XII, in en rond Montaillou de laatste Katharen opspoorde.

In 1243 start toch een derde kruistocht. Château de Montségur, het laatste bolwerk van de Katharen, valt in 1244. 215 parfaits worden verbrand op de brandstapel. Met de verovering van Montségur zijn de hoogtijdagen van het Katharisme over. Het gaat dan ondergronds en als nieuw strijdmiddel tegen de Katharen wordt door de Rooms-katholieke Kerk de inquisitie opgericht. Het zal daarna echter nog 80 jaar duren voor ook de laatste Kathaarse parfait is verbrand.

Guillaume Bélibaste (geb. 1280) geldt als de laatst verbrande Kathaarse parfait. Hij werd op de brandstapel gezet in 1321 in Villerouge-Termenès. In dit plaatsje is nu met financiële  steun van de Europese Gemeenschap een museum opgericht dat geheel aan hem en het Katharisme is gewijd.

Deze oorlog, die bijna veertig jaar duurde, staat nu bekend als de Albigenzische kruistocht. Het was een kruistocht in de ware zin van het woord. De paus had ertoe opgeroepen en de deelnemers droegen, evenals in Palestina, een kruis op hun kleding. Ook de beloningen waren dezelfde als in het Heilige Land: vergeving van alle zonden, een volle aflaat, de zekerheid van een plaats in de hemel, en alle buit die zij wisten te veroveren. Bovendien hoefde men voor deze kruistocht de zee niet over te steken. En volgens de feodale wetten behoefde men niet meer dan veertig dagen te vechten, ervan uitgaand dat men geen belangstelling had om te plunderen.

Toen de kruistocht voorbij was, was de Languedoc totaal van karakter veranderd en terug op het barbaarse niveau dat de rest van Europa merendeels nog kenmerkte.

De Languedoc werd, om de woorden van kerkelijke autoriteiten te gebruiken, "geïnfecteerd' door de ketterij van de Albigenzen, 'de smerige melaatsheid uit het zuiden'. Hoewel de aanhangers van deze ketterij in wezen niet gewelddadig waren, vormden zij een ernstige bedreiging voor de roomse autoriteit, in feite de belangrijkste bedreiging die zij ondervond tot Maarten Luther drie eeuwen later de Reformatie op gang bracht. Tegen 1200 was er een reële kans dat deze ketterij het katholicisme als belangrijkste vorm van christendom in dat gebied zou verdringen. En wat voor de Kerk nog gevaarlijker was, ze begon zich over Europa te verspreiden, vooral in de stedelijke centra in Duitsland, Vlaanderen en Champagne.

De rooms-katholieke kerk beweerde in de tijd van de katharenvervolging dat de katharen manicheeërs waren, aanhangers van Mani. Kerkvader Augustinus, die zelf een tijdje manicheeër was geweest, had een soort determineertabel van ketterijen opgesteld, met daaronder het manicheïsme. Van alle ketterijen vond Augustinus het manicheïsme het meest verwerpelijk. En alleen van die ketterse stroming moesten volgens hem de aanhangers gedood worden. Daar beriep de RK-kerk zich op bij het vervolgen van de katharen. Het doden van katharen kreeg daardoor binnen de RK-kerk een juridisch geldige status. Daar is aardig wat literatuur over verschenen en de conclusie is duidelijk: van enige relatie tussen de katharen en het manicheïsme is niets gebleken. In wetenschappelijk literatuur wordt die relatie dan ook niet meer aangehangen. Niettemin komt men de bewering van de rooms-katholieke kerk dat de katharen manicheeërs waren nog veelvuldig tegen.


5.    Beginselen van de leer

'Albigenzen' en 'katharen' waren in feite verzamelnamen. Ze verwezen niet naar een enkele, samenhangende Kerk, zoals die van Rome met een vastgelegde, systematische en definitieve leer. In feite kenden de ketters vele afzonderlijke sekten; vele werden geleid door onafhankelijke leiders wier naam door hun volgelingen werd aangenomen. Deze sekten hadden een aantal principes gemeen, maar konden op detailpunten sterk van elkaar verschillen. We moeten er ook rekening mee houden dat veel van onze informatie afkomstig is van kerkelijke instanties zoals de inquisitie. Een beeld vormen met behulp van dergelijke bronnen is hetzelfde als een beeld van het Franse verzet schetsen op basis van SS- en Gestaporapporten. Het is daarom onmogelijk de 'kathaarse denkwijze' volledig te beschrijven.

De katharen geloofden in het algemeen in reïncarnatie en ze erkenden het vrouwelijke principe in de godsdienst. De predikers en leraren van de kathaarse orden waren dan ook van beide geslachten.

Tegelijkertijd verwierpen ze de orthodoxe Katholieke Kerk en ontkenden ze de betekenis van alle kerkelijke hiërarchieën, alle officiële en gewijde bemiddelaars tussen God en de mens. Hieraan lag een belangrijke kathaarse stelregel ten grondslag, de verwerping van 'geloof', althans op de manier die de Kerk propageerde. In plaats van 'geloof' uit de tweede hand legden zij de nadruk op directe en persoonlijke kennis, een zelfbeleefde religieuze en mystieke ervaring. Deze ervaring, die gnosis werd genoemd, naar het Griekse woord voor kennis, was voor hen belangrijker dan welke belijdenis of welk dogma ook. Gezien de nadruk op direct persoonlijk contact met God waren priesters, bisschoppen en andere kerkelijke autoriteiten overbodig.

De Kathaarse leer is gnostisch van oorsprong. Zoals de andere gnostici zijn de Katharen dualisten, ze gaan er van uit dat er "twee scheppingen" bestaan: de goede, geestelijke schepping en de slechte, stoffelijke schepping. Zij vinden dat de wereld zoals wij die kennen een schijnwereld is. Alle stoffelijke zaken zijn vernederend voor het goddelijke dat in iedere mens aanwezig is. De Katharen kennen zowel een goede als een slechte God. De slechte god was JHWH, de god van het Oude Testament, die de wereld geschapen had en de geesten had gevangen in stoffelijke lichamen, ze vulde met ellende en lijden. De goede god was de God van Jezus, die liefde predikte. Voor de Katharen was het volstrekt ondenkbaar dat God zijn eigen zoon naar de aarde zou sturen om door zijn lijden en dood de mensen te verlossen. Het kruis is voor hen een verwerpelijk martelwerktuig waarmee gepoogd werd de missie van Christus te doen mislukken. Zijn missie was de Boodschap brengen. De eucharistie is voor de Katharen geen sacrament. Zij kennen wel de zegening van het brood bij het begin van de maaltijd (als herinnering aan de missie van Christus), maar ze verwerpen zonder meer het idee van de transsubstantiatie waarbij Christus aanwezig zou zijn in de hostie. Het is voor hen ondenkbaar dat God zich in zoiets laags en stoffelijks als een stuk brood zou manifesteren. De Katharen geloofden in reïncarnatie.

Volgens sommige katharen was de mens op aarde om de materie te ontstijgen, alles te verwerpen wat met het machtsprincipe te maken heeft en op die wijze een te worden met het liefdesprincipe. Anderen meenden dat de mens de materie moest bewerken en verlossen, haar moest vergeestelijken en herscheppen. Belangrijk is dat er geen vastgelegde doctrines, dogma's of theologie bestonden. Zoals bij de meeste afwijkingen van een orthodoxe leer bestaan er slechts los geformuleerde zienswijzen. De morele verplichtingen die eruit voortvloeiden liet men aan persoonlijke interpretatie over.

De katharen begingen in de ogen van de Rooms-Katholieke Kerk een ernstige ketterij, door de stoffelijke schepping, waarvoor Jezus verondersteld werd te zijn gestorven, als in wezen slecht te beschouwen en God, die 'in den beginne' deze wereld had geschapen, als een overweldiger te zien.

Hoe het ook zij, de katharen ontkenden krachtig de betekenis van zowel kruis als kruisiging, misschien omdat ze deze niet relevant vonden, misschien omdat Rome deze zo verheerlijkte, misschien omdat ze een dergelijke wrede dood van een profeet niet wilden vereren. Ze beschouwden het kruis, zover het met Calvarieberg en kruisiging had te maken, als een symbool van de Rex Mundi, de heer van de stoffelijke wereld, de antithese van het echte verlossingsprincipe. Jezus, zo hij al sterfelijk was, was een profeet van AMOR geweest, het liefdesprincipe. Wanneer AMOR werd omgedraaid, wanneer het in macht werd omgezet, werd het ROMA, het Rome van een weelderige, luxueuze Kerk die voor de katharen de tastbare aanwezigheid op aarde was van het gezag van de Rex Mundi. De katharen weigerden daarom niet alleen het kruis te aanbidden, maar verwierpen ook sacramenten als doop en communie.

De katharen kenden een 'sacrament', het Consolamentum, dat hen tot kuisheid verplichtte. Maar behalve bij de priesters, de parfaits, mannen en vrouwen die meestal al een gezinsleven achter de rug hadden, werd het Consolamentum pas toegediend op het sterfbed; dan is het niet zo moeilijk meer om kuis te zijn. Over het geheel genomen werd seksualiteit getolereerd en soms zelfs uitdrukkelijk toegelaten. Hoe kun je voortplanting veroordelen en seksualiteit toestaan? Er is reden aan te nemen dat de katharen geboortebeperking en abortus kenden. Toen Rome hen van 'onnatuurlijke seksuele gewoonten' beschuldigde, dacht men dat dit op homoseksualiteit sloeg.

De katharen schijnen in het algemeen een zeer toegewijd en eenvoudig leven te hebben geleid. Omdat ze kerken afwezen vonden hun diensten meestal in de openlucht plaats of in het eerste het beste gebouw dat beschikbaar was, een huis, een schuur, een stadhuis. Ook beoefenden ze wat wij tegenwoordig meditatie noemen. Het waren vegetariërs, maar het eten van vis was wel toegestaan. D parfaits die in het gebied rondreisden, deden dat altijd met zijn tweeën, op die manier voedsel gevend aan de beschuldiging va homoseksualiteit die door hun tegenstanders werd rondgestrooid.

 

a.    De Katharen kenden drie niveaus van toegang tot de leer:

  • Een chrétien had, na een noviciaat, het consolamentum ontvangen. Dit was het enige sacrament voor de Katharen. Het was een vorm van inwijding in de Heilige Geest en gebeurde door handoplegging. Hierdoor werd de goddelijke geest in de mens in contact gebracht met de Heilige Geest, waardoor de mens in staat werd zijn goddelijke oorsprong te ervaren. Na het consolamentum moest hij leven volgens een strikte regel. Deze regel was ascetisch van aard: verbod om dierlijk voedsel te eten en het gebod om een evangelische moraal te beoefenen: verbod om te vloeken, te liegen en te doden. Het "consolamentum" kon pas ontvangen worden op volwassen leeftijd; de Katharen meenden dat dit bewust moest gebeuren, in alle vrijwilligheid.
  • Een croyant geloofde in de juistheid van de Kathaarse leer, maar onderging geen wijding. De Kathaarse Kerk legde de croyant geen enkel gebod of verbod op. Dat bracht de roomse Kerk ertoe de Katharen laksheid te verwijten. De stervenden konden een vereenvoudigde vorm van het consolamentum ontvangen.
  • Een auditeur was diegene die niet geloofde in de Kathaarse leer, maar er wel welwillend tegenover stond. De meeste Occitaanse faidits (edelen) waren auditeurs.

Kinderen die stierven hadden het consolamentum niet ontvangen. Toch konden ook zij volgens de Katharen de hemel bereiken; door reïncarnatie kregen ze een tweede kans.

Het Katharisme is niet te beschouwen als een stroming maar als een (gnostische) godsdienst. In de Kathaarse godsdienst  was er geen plaats voor de Kerk als plaatsvervanger voor God op Aarde. In tegendeel: een ieder droeg de "goddelijke vonk" in zichzelf en had de plicht om anderen daarvan op de hoogte te brengen. Ook het lijden van Christus aan het kruis en het kruis zelf werd door de Katharen niet gevolgd. Daarmee werd de centrale machtspositie van de Kerk in de samenleving door de katharen op het spel gezet. De Kerk beschouwde dit zowel als een aanval op de na te streven eenheid, en als een bedreiging voor haar overheersende religieuze positie in het geloof van de christenen. Daarom was de vervolging door de Rooms-katholieke Kerk ook zo fel: er werden kruistochten georganiseerd met de opzet om deze godsdienst uit te roeien, en toen dat met geweld niet lukte werd speciaal voor de vervolging van de Katharen de kerkelijke inquisitie opgericht en geïnstitutionaliseerd. Deze inquisitie heeft meer dan honderd jaar lang in Occitanië onderzoeken, verhoren en martelingen uitgevoerd waaraan de vervolgden stierven, langdurig de gevangenis in gingen of gebrandmerkt werden door het dragen van een geel insigne. Hiermee werd bewerkstelligd dat een opkomende gnostische godsdienst werd vernietigd[1].


 

6.    Ketter en kerk

Een ketter houdt vast aan een onorthodox verklaarde leerstelling en beschouwt deze desondanks als in overeenstemming met de orthodoxie (het geheel van leerstellingen van een kerk). Daarom is een ketter niet hetzelfde als een afvallige (apostaat). Een afvallige verwerpt immers de gehele orthodoxie an sich. Na verloop van tijd kan een ketterse beweging een nieuwe kerk vormen. Zo zijn de protestante kerken bijvoorbeeld begonnen als een ketterse groep binnen de Rooms Katholieke kerk. Als snel hadden die nieuwe protestantse kerken overigens hun "eigen" ketters.

a.    Vervolging

Ketters en hun opvattingen werden vervolgd. Deze vervolging kwam en ging met golven en was in sommige perioden uitzonderlijk wreed. Daarbij speelden zowel de kerkelijke als wereldlijke overheid een rol. Aanvankelijk stond op ketterij vooral verbeurdverklaring van bezit en gevangenschap. In het begin van de 13e eeuw werd door keizer Frederik II vastgelegd dat op "ketterij" de doodstraf stond. Paus Gregorius IX stelde het beding dat in zulk geval alleen de kerk bevoegd zou zijn tot de vaststelling of een ketterij daadwerkelijk voorlag. In die tijd ontstond de Inquisitie, het apparaat voor de bekering van ketters, dat bekend is geworden door grootschalige vervolgingen van met name de Katharen.

In de Middeleeuwen stond op ketterij de doodstraf, die werd voltrokken door het zwaard (onthoofding) en/of de brandstapel (verbranding). Overigens heeft de uitdrukking "roken als een ketter" hier waarschijnlijk niets mee te maken, want deze uitdrukking is van veel jongere datum.

Het katharisme verbreidde zich over de Languedoc en de omringende provincies en dreigde de plaats van het katholicisme in te nemen Om begrijpelijke redenen werden vele edellieden erdoor aangetrokken. Sommigen verwelkomden de tolerantie of waren toch al antikerkelijk. Anderen waren teleurgesteld door de corruptie van de Kerk of hadden hun geduld met het systeem van tiende penningen verloren waardoor de opbrengst van hun landgoederen in koffers van het verre Rome verdween. Veel edellieden werden daarom op hun oude dag parfaits. Volgens schattingen kwam dertig procent van alle parfaits uit adellijke kringen.

In 1145, een halve eeuw voor de Albigenzische kruistocht, bezocht de Heilige Bernard, die op dat moment de belangrijkste woordvoerder van het orthodoxe christendom was, de Languedoc met de bedoeling tegen de ketters te prediken. Hij schrok echter meer van de corruptie in zijn eigen Kerk dan van de ketters. Zij maakten indruk op Bernard, dat was wel duidelijk. 'Er zijn geen christelijker sprekers dan de hunne,' verklaarde hij, 'en hun moraal is zuiver.' Onnodig te zeggen dat Rome zich rond 1200 zorgen maakte over de situatie. Ook was men zich terdege bewust van de afgunst waarmee de noordelijke baronnen de rijke landerijen en steden in het zuiden bekeken. Daar was gemakkelijk gebruik van te maken; de noordelijke heren zouden de stormtroepen van de Kerk vormen. Het wachten was op een aanleiding om de publieke opinie mee te krijgen.

Zo'n aanleiding kwam snel. Op 14 januari 1208 werd een van de pauselijke gezanten in de Languedoc, Pierre de Castelnau, vermoord. Waarschijnlijk werd de misdaad begaan door antikerkelijke rebellen die niets met de katharen van doen hadden. Rome aarzelde echter niet de katharen de schuld te geven. Paus Innocentius III riep onmiddellijk op tot een kruistocht. Hoewel de Kerk reeds in de voorgaande eeuw de ketters met tussenpozen had vervolgd, mobiliseerde zij haar krachten nu echt. De ketterij zou eens voor altijd uitgeroeid worden.

Er werd een groot leger gevormd onder bevel van de abt van Citeaux. De militaire operaties stonden grotendeels onder leiding van Simon de Montfort; de pauselijke kruisvaarders maakten zich op de hoogst ontwikkelde cultuur van de Europese middeleeuwen te verwoesten. Zij werden bij deze heilige onderneming gesteund door een nuttige bondgenoot, de Spaanse fanaticus Dominic Guzman.

Gedreven door een woeste haat tegen de ketterij, stichtte deze in 1216 een kloosterorde die naar hem genoemd zou worden, de dominicanen. In 1233 brachten dezen een nog onzaliger instituut voort de Heilige Inquisitie. De katharen zouden niet hun enige slachtoffer zijn. Voor de kruistocht stonden vele edellieden in de Languedoc, vooral de belangrijke huizen Trencavel en Toulouse, zeer vriendelijk tegenover de inheemse joodse bevolking. Nu werd die bescherming bij decreet ingetrokken.

In 1218 werd Simon de Montfort gedood bij de belegering van Toulouse. De verwoesting van de Languedoc ging, met slechts korte tussenpozen, nog bijna een kwart eeuw door. Tegen 1243 was alle georganiseerde tegenstand, voor zover deze ooit had bestaan, gebroken. Op een paar afgelegen en geïsoleerde bolwerken na waren alle kathaarse steden en versterkingen in handen van het invasieleger gevallen. Het belangrijkste overgebleven steunpunt was Montsegur, de majestueuze citadel in de bergen, die als een hemelse ark boven de omringende dalen balanceerde.

Tien maanden lang werd Montsegur belegerd, doorstond het herhaaldelijk aanvallen en bood het taaie weerstand. Ten slotte capituleerde het fort in maart 1244 en hield het katharendom, althans openlijk, op te bestaan in het zuiden van Frankrijk. Maar ideeën kunnen nooit definitief worden uitgeroeid. In zijn bestseller Montaillou bijvoorbeeld beschrijft Emmanuel Le Roy Ladurie, op basis van documenten uit die tijd, de activiteiten van de katharen, bijna een halve eeuw na de val van Montsegur. Kleine groepen ketters, die zich in de bergen terugtrokken en in grotten woonden, hielden aan hun geloof vast en voerden een verbitterde guerrilla tegen hun vervolgers.

Vele schrijvers hebben latere Europese ketterijen als opvolgers van het kathaarse denken beschouwd, bijvoorbeeld de Waldenzen[7], de Hussieten[8], de Adamieten[9]. de Wederdopers[10] en de vreemde Camisards[11], van wie een aantal in de vroege achttiende eeuw in Londen hun toevlucht zocht.

 

7.    Maatschappelijke betekenis

a.    Hoogmoed en sociale strijd

Vanaf de vroeg-christelijke tijd was een ketter volgens gelovigen de drager van de meest verschrikkelijke vorm van geestelijke hoogmoed. De subversiviteit van het ketter-zijn bestond uit het zelfbewustzijn dat mensen blijkbaar bracht tot de overtuiging dat zij hun eigen weg konden gaan tegen het kerkelijk leergezag en dus tegen God in. Zo schreef Augustinus, de heiligverklaarde Kerkvader: "Superbia mater omminium hereticorum" (Hoogmoed is de moeder van alle ketters).

Ketterijen ontstonden onder allerlei lagen in de bevolking. Sommige (vooral latere) ketterijen gedijden het best onder de gegoede burgerij, andere (zoals de katharen) vooral onder de minstbedeelden. Als pogingen om zich te onttrekken aan de aloude sociale ordening en de daarbij horende verdeling van aardse goederen zouden sommige ketterijen (met grote voorzichtigheid) gezien kunnen worden als voorlopers van de latere sociale bewegingen.

b.    Hedendaagse visie

Sommige vrijzinnige gelovigen in de moderne tijd zien de ketter als iemand die aangestoken is door het oude apostolische enthousiasme van de eerste christenen, dat in de structuren van de georganiseerde Kerk voorgoed verloren leek. Door zich te verzetten tegen de veilige structuren, door zich erbuiten te wagen, wordt de ketter een "verworpene der aarde", een martelaar. De ketters waren dan ook inderdaad zeer overtuigd, en bereid te sterven voor hun idealen.

Een andere mening dan die van sommige vrijzinnige gelovigen is de volgende: ketters, bijvoorbeeld de katharen, voelde zich juist helemaal niet veilig in de kerk-structuren en hadden die kerk ook helemaal niet nodig omdat ze een directe inzicht in- en openbaring van- het goddelijke meenden te hebben. Ze hoorden niet bij de kerk, omdat zij vonden dat zij een authentiek inzicht/geloof hadden (zie gnosticisme). Omdat ze daardoor een gevaar waren voor de machtspositie van de kerk in die tijd, werden ze vervolgd en gedood, tenzij ze zich bekeerden tot het "ware" geloof. Dan werden ze dus monddood gemaakt en was het gevaar voor de kerk geneutraliseerd. Alleen de principiële andersdenkenden (de ketters) die zich niet monddood lieten maken, omdat ze daarna niet meer in vrede met zichzelf konden leven, bleven een gevaar voor de kerk en werden soms gedood als afschrikwekkend voorbeeld.

In de Rooms-Katholieke Kerk gaat men uit van de stelling dat elke ketterij zijn oorsprong vindt in een zonde van de kerk. In het algemeen handhaaft de kerk daarom het beginsel "hard voor de zonde, mild voor de zondaar". Dit principe stond doorgaans voorop in de vervolging van ketters, hetgeen verklaart waarom ketters ongemoeid werden gelaten na herroeping van hun opvattingen en gedane boete.

c.    Ketters en kerken

In het algemeen kwam vervolging van mensen die gebrandmerkt werden als ketter in nagenoeg alle kerken van het christendom voor. Een illustratie hiervan vormt de tragische persoon van Giordano Bruno, die werd vervolgd door lutheranen, calvinisten en katholieken, of die van Michael Servet, die op last van Calvijn op de brandstapel stierf.

 


 

8.    Het geheim van de katharen

Hoewel het moeilijk te bewijzen is schijnt er enig verband te hebben bestaan tussen de katharen en de cultus rond de Graal die zich in de twaalfde en dertiende eeuw ontwikkelde. Sommige auteurs zijn van mening dat de romans over de Graal, bijvoorbeeld die van Chretien de Troyes en Wolfram von Eschenbach, via een ingewikkelde symboliek de ideeën van de katharen in het orthodoxe christendom interpoleren. Dat klinkt misschien overdreven, maar er schuilt een kern van waarheid in. Tijdens de Albigenzische kruistocht fulmineerden geestelijken tegen de Graalromans en noemden ze verderfelijk of zelfs ketters. In sommige van deze romans komen passages voor die niet alleen zeer onorthodox, maar zelfs onmiskenbaar dualistisch zijn, met andere woorden kathaars.

 


 

9.    Inquisitie

De Inquisitie was een rechtbank van de rooms-katholieke Kerk, belast met de opsporing, het onderzoek naar en het opleggen van straffen aan ketters (mensen die in opvattingen en/of daden van de leer van de rooms-katholieke kerk afwijken). Naast de pauselijke inquisitie bestonden de Spaanse Inquisitie (1478-1834) en de Romeinse inquisitie (1542-1965). Het woord inquisitie komt van de Latijnse term inquisitio, onderzoek. In plaats van beschuldigingen door een partij (accusatoir proces) leidde eigen onderzoek door de rechtbank een proces in. De inquisitie van de rooms-katholieke kerk wordt vaak ten onrechte vergeleken met de Raad van Beroerten. Deze speciale rechtbank was echter door de hertog van Alva opgericht en niet door de rooms-katholieke kerk en was alleen in de Nederlanden actief.

a.    Oprichting

De pauselijke inquisitie werd opgericht ter vervolging van de Katharen. De eerste aanzet daartoe werd gegeven in 1157 op het Concilie van Reims, de eerste georganiseerde bijeenkomst van de Rooms-Katholieke Kerk over een methodische bestrijding van ketterijen. In 1184 volgde het decreet van Verona (Ad abolendam - "met het doel af te schaffen"), waarbij Lucius III in overleg met keizer Frederik II de wereldlijke macht opriep maatregelen te nemen tegen de toen wijdverbreide "ketterijen" over geheel Europa, met weinig gevolg.

In 1211 riep de Franse edelman Simon IV van Montfort een ‘parlement’ in het Zuid-Franse Pamiers bijeen. Simon de Montfort was de wereldlijke leider van de kruistocht tegen de katharen. Er was daarbij een probleem gerezen. De pauselijk legaat, de cisterciënser Arnaud Amaury, had gezegd: “Hoewel ik de dood van de vijanden van Christus wens, kan ik ze, als monnik en priester, niet ter dood brengen.” Arnaud-Amaury en De Montfort vonden samen een oplossing. De kerkelijke inquisitie zou de ketters aanwijzen, en een passende straf opleggen, en dan zou de wereldlijke macht de opgelegde straf uitvoeren. Er werden nog een aantal andere regels vastgelegd, de zogenaamde ‘Regels van Pamiers’. De meest invloedrijke daarvan was wel dat monniken of priesters die namens de kerk met de uitvoering van de inquisitie werden belast, boven de wereldlijke macht stonden. Ze hoefden dus geen verantwoording af te leggen voor hun daden, behalve dan aan God, en aan de bisschop in wiens diocees zij actief waren en opdracht tot inquisitoriale taken ontvingen.

Met de Regels van Pamiers van 1211 werd de Inquisitie voor het eerst formeel geïnstitutionaliseerd op diocesaan niveau, en werd de samenwerking tussen kerk en staat vastgelegd. Vanaf dat moment kon de inquisitie regionaal de vorm aannemen van een systematische vervolging van de katharen en andere andersdenkenden. In verschillende pauselijke decretalen[12] werden telkens aspecten van de toepassing van de inquisitoriale methode verder uitgewerkt. Pas na de verschijning in 1234 van de decretalenverzameling van Paus Gregorius IX beschikte men over een min of meer uniforme en consistente regels op dit gebied, in plaats van los overgeleverde relatief toevallig bekende relevante decretalen.

De Regels van Pamiers werden aangescherpt op het Vierde Lateraans Concilie van 1215 en namens de hele kerk goedgekeurd. In 1216 stierf Innocentius III. Na het pontificaat van Honorius III constateerde Gregorius IX dat veel bisschoppen te laks waren bij het uitvoeren van hun inquisitoriale taak. Sommige bisschoppen maakten zelfs openlijk bezwaar tegen de inquisitie. Gregorius IX plaatste daarom de inquisiteurs direct onder pauselijk gezag. Daardoor konden zelfs bisschoppen voor de inquisitie worden gedaagd.

Gregorius IX gaf in 1232 bevel aan de nieuwe orde der dominicanen de taak van de inquisitie op zich te nemen. Daarmee was de inquisitie nu geheel formeel bevestigd en geïnstalleerd. In 1237 belastte de paus ook de franciscanen met de inquisitie.

In 1243 besloot paus Innocentius IV dat bij de verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan.

De inquisitie vormde van toen af aan, onder rechtstreeks toezicht van de paus, een ontzagwekkende, nagenoeg onaantastbare macht, niet alleen van de kerk over het volk, maar ook binnen de kerk zelf.

Toch was de inquisitie in zekere zin afhankelijk van de wereldlijke macht. Zoals overeengekomen bij de Regels van Pamiers had de inquisitie enkel de bevoegdheid om te onderzoeken en straffen op te leggen, maar niet om de straf uit te voeren. Toen later de wereldlijke macht niet meer aan de uitvoering van de straf wilde meewerken, zoals dat tenslotte ook grondwettelijk werd bepaald door de scheiding van kerk en staat, werd de kerkelijke inquisitie feitelijk machteloos bij het vervolgen van andersdenkenden buiten de kerk. De macht van de inquisitie beperkte zich toen tot de gelederen binnen de eigen kerk. Tijdens de 16e eeuwse reformatie zou de bereidheid of de weigering van de wereldlijke macht mee te werken aan de vervolging van de protestanten een beslissende factor worden in het succes of het falen van de reformatie in verschillende landen.

Hoe afhankelijk de inquisitie was van de wereldlijke macht, is het meest gruwelijk zichtbaar geworden tijdens de Spaanse Inquisitie: De koning van het net één geworden Spanje gebruikte in de zestiende eeuw de inquisitie om met dwang religieuze eenheid op te leggen. De inquisitie werd daarmee tot een zuiver politiek machtsmiddel.

Anders dan bij de eerdere vervolging van de katharen is het aantal mensen dat daadwerkelijk op de brandstapel eindigde wegens een veroordeling door de Spaanse Inquisitie, kleiner dan vaak wordt gedacht. In haar meest gruwelijke vijftig jaar voerde de Spaanse inquisitie maar liefst 44.000 processen. Daarvan eindigde volgens de meest recente historische schattingen 1,6 % met een terdoodveroordeling: ongeveer 700 mensen. Dat percentage lag lager dan bij contemporaine wereldlijke rechtbanken.

b.    Werkwijze

De Inquisitie ging als volgt te werk: een delegatie van de inquisitie kwam aan in een dorp of stad. De pastoor werd gevraagd de hele gemeenschap samen te roepen in de kerk. Iedereen kwam, want door afwezigheid zou men zichzelf verdacht maken. Daar werd de gemeenschap toegesproken door de inquisiteurs, en opgeroepen tot berouw. De biecht werd afgenomen, en kleine opbiechtingen van ketterij werden makkelijk vergeven, indien men maar berouw toonde én oprechtheid, namelijk door twee andere ketters aan te geven. Dit veroorzaakte een kettingreactie van verdachtmakingen. De ernstige gevallen van ketterij werden op een lijst gezet. Hierna ging er een hele poos voorbij, tot men de verdachten dagvaardde. Tussen de dagvaarding en de presentatie van de gedagvaarde voor het tribunaal ging er weer een hele poos voorbij, zodat de verdachte goed kon nadenken over wat men hem precies zou willen of kunnen vragen. Over de beschuldiging werd hij in het ongewisse gelaten, ook tijdens zijn verhoor, zodat hij zeer lang in onzekerheid verkeerde. Pas na een zeer lang gesprek, alles nauwkeurig genoteerd in dossiers, als de verdachte zichzelf bijna verraden had, kwam de beschuldiging van ketterij boven water. Vaak was het dan te laat, want de verdachte werd dan met zijn eigen uitlatingen geconfronteerd.

c.    Straffen bij de vervolging van de katharen

Wie bij de vervolging van de katharen zijn ketterse overtuiging had bekend en afgezworen, en ook andere ketters had aangebracht, werd meestal tot lichte straffen veroordeeld, zoals een verplichte bedevaart. Alle anderen konden tot zeer zware straffen veroordeeld worden, zelfs voor kleine overtredingen. De straf die de inquisiteur na de verhoren uitsprak, werd zelden gemotiveerd, maar dit gold ook voor andere rechters. Studies van de ondervragingen tonen aan dat de bestraffingen met grote willekeur werden uitgedeeld. De gevangenisstraf kon verschillende vormen aannemen. De lichtste was de veroordeling au mur large, een soort open gevang in een ruimte met andere gevangenen, waar men familieleden op bezoek kon krijgen. Als ze het overleefden, werden ze na een aantal jaren vrijgelaten. Een feitelijk doodvonnis was de veroordeling au mur strict, waarbij voeten en handen met ketenen aan de muur vastgeklonken werden in een kleine cel. Tot de brandstapel werden alleen degenen veroordeeld die weigerden hun ketterse overtuiging af te zweren, en zij die na afzwering weer tot de ketterij waren teruggekeerd, de zogeheten relapsi. Hoofddoelstelling van de inquisitie was echter niet om te straffen, maar om te bekeren. Praktisch alle middelen, tot aan marteling toe, werden aangewend om de verdwaalde schapen weer tot de kudde te doen terugkeren. De inquisiteur had zijn werk goed gedaan als een ketter in het openbaar zijn dwaling bekende, deze afzwoer, het gezag van de Kerk erkende, en zijn penitentie dankbaar aanvaardde als een mogelijkheid om weer met God in het reine te komen. Daarvan werd een plechtige religieuze gebeurtenis gemaakt, meestal op een zondag, in aanwezigheid van de plaatselijke bestuurders, bisschoppen en abten. Deze gebeurtenis heette een acte-de-foi, acte van geloof. In het kader van de Spaanse Inquisitie werd de plechtigheid van de autodafe gekoppeld aan de eventuele terechtstelling van terdoodveroordeelden.

d.    Inquisitie en heksenvervolging in Europa (ca. 1380-1750)

Na ca. 1380 waren Dominicaanse inquisiteurs actief in het vervolgen van heksen. Na 1600 werd het voortouw bij deze vervolgingen overgenomen door de Jezuïeten.

Na ca. 1520 probeerden absolutistische vorsten de wetgeving te centraliseren op een voor hen gunstige manier. De oude accusatoire rechtspraak[13] werd daarbij grotendeels vervangen door de inquisitoire rechtspraak die een vervolg was van de kerkelijke inquisitie en zich baseerde op het Romeinse recht. Het inquisitoire recht werd de dominante vorm van rechtspraak in vrijwel geheel Europa, behalve in Engeland. Vaak wordt dit inquisitoire recht ook wel ‘inquisitie’ genoemd.

Accusatoir recht was een soort wedstrijd tussen de partijen onder een relatief passieve rechter. Beide partijen konden getuigen oproepen. Als het om hekserij ging, was er een aanklacht nodig van iemand die zich door de “heks” benadeeld voelde. De aanklager liep het risico om de zaak te verliezen en een smaadproces tegen zich te krijgen. Het hing er vaak vanaf hoeveel getuigen de partijen op wisten te roepen (ofwel hoe geliefd ze waren in de gemeenschap).

Inquisitoir recht gaf de aanklager veel meer mogelijkheden.

·         Rechter en aanklager waren dezelfde persoon. De rechter kon zelf op onderzoek uitgaan en de aanklacht formuleren

·         Confrontatie met de aanklager was niet mogelijk, de aanklacht kon anoniem gedaan worden

·         De zittingen konden geheim zijn

·         De beschuldigde kon onbeperkt vastgehouden worden tot aan het proces

·         De beschuldigde hoefde de aanklacht niet te vernemen

·         Marteling was toegestaan en na 1570 werden de aanvankelijk in het systeem ingebouwde beveiligingen (om de verdachte te beschermen tegen willekeurige marteling) vrijwel geheel losgelaten

·         De beschuldigde mocht geen advocaat hebben

·         De beschuldigde mocht geen getuigen oproepen

·         De beschuldigde mocht de getuigen van de aanklager niet ondervragen

·         Een aanklacht vanuit het volk was na 1590 niet langer nodig. Men hoefde zelfs niet meer te bewijzen dat de heks iemand kwaad had gedaan

·         Hoger beroep was onmogelijk

Deze wetswijziging viel samen met een spirituele hervorming, die de angst voor zonde, de duivel en de hel aanwakkerde. Daardoor werden de heksen na 1450 beschuldigd van het sluiten van een pact met de duivel en na 1560 ook nog van het vrijwillig hebben van geslachtsgemeenschap met de duivel op de heksensabbatten. Tijdens de marteling werden de heksen gedwongen om de namen van andere deelnemers aan de sabbat te noemen. Deze werden opgepakt en gedwongen meer namen te noemen. Zo ontstonden na 1580 de beruchte massaprocessen die vele tienduizenden het leven hebben gekost, vooral in Duitsland en Frankrijk.

In Engeland bleef de rechtspraak voornamelijk accusatoir en kregen ideeën als de heksensabbat weinig volgelingen. In Engeland werd ook veel minder gemarteld. Het aantal slachtoffers van de heksenwaan was hier 500-1000.

In Spanje had de kerkelijke Spaanse inquisitie een zeer matigende invloed op de heksenvervolging. Er kwamen wel aanklachten uit het volk, maar de Spaanse inquisitie steunde die nauwelijks. In 1611 kwam er een publicatie van pater Alonso de Salazar, een rechter van de Spaanse inquisitie. Hij had de heksensabbat zoals twee jaar eerder beschreven door Pierre de Lancre laten 'naspelen' door heksen die bekend hadden (waaronder vele kinderen). Van hun verhalen bleek niets te kloppen met de werkelijkheid en bovendien waren ze met elkaar in tegenspraak. Ook had hij de veronderstelde hallucinogene zalven op dieren getest en het bleken onschuldige middeltjes te zijn. De Spaanse inquisitie was al nauwelijks geïnteresseerd in de heksenjacht omdat 1) men qua zondebok vodoende had aan de Joden en de Moslims, 2) Spanje een grote traditie had van vijanden buiten het Christendom, maar slechts een kleine traditie van vijanden binnen het Christendom zoals ketters (en later heksen). Na het uitkomen van het rapport van Salazar werden er in Spanje geen heksen meer vervolgd

e.    Veroordeling van de Inquisitie door paus

Bij het Mea Culpa op 13 mei 2000 heeft Johannes-Paulus II in een openbare schuldbekentenis vergiffenis gevraagd aan de wereld voor fouten die de Katholieke broeders en zusters in het verleden hebben gemaakt. Met dit historische gebaar wilde de Rooms-Katholieke Kerk met een schone lei beginnen aan het derde millennium. Kritiek op dit Mea Culpa is dat er alleen vergiffenis werd gevraagd voor daden uit het verleden van individuele katholieke broeders en zusters, maar niet voor de daden begaan door de Rooms-Katholieke Kerk zelf en verschillende pausen.

 


10. Bijlage 1 Gnostiek

a.    Gnostiek

De gnostiek is een verzamelnaam voor een brede waaier aan religieuze stromingen en mystieke tradities binnen het vroege christendom, die hun bloeitijd beleefden in de eerste, tweede en derde eeuw na Christus en deels teruggrepen op oude (paganistische) tradities van voor onze jaartelling.

De gnostiek is opnieuw onder de aandacht gekomen door de vondst van 52 geschriften bij Nag Hammadi in Egypte (1945). Onder deze geschriften bevinden zich merendeels gnostische en gnostiserende teksten.

Sommige hedendaagse historici neigen er naar de gnostiek een invloedrijke positie te verlenen in de wordingsgeschiedenis van het vroege christendom. Op het Concilie van Nicaea in 325 aanvaardde de Kerk onder druk van keizer Constantijn de Grote de Geloofsbelijdenis van Nicea. Hoewel de inhoud van deze geloofsbelijdenis vooral gericht was tegen het arianisme verwierp de belijdenis ook gnostieke leringen.

b.    Kernthema

Kernthema van de gnostiek is dat de mens vergeten is wie hij in werkelijkheid is. In de gnostiek wordt Jezus als boodschapper beschouwd, die de mens oproept zichzelf te herinneren: "Mens, sta op en herinner jezelf". Daardoor zou de mens inzicht krijgen in zichzelf en het al: "Wie zichzelf kent, kent het al". Gnostische teksten presenteren Jezus als iemand die een breuk voorstond met het godsbeeld van het Oude Testament. De gnostiek verbond daaraan de voorstelling van een goede God, die Jezus zijn Vader noemt, en daarnaast een kwaadaardige Demiurg, de Heer van het kwaad, en dat zou dan de God van het Oude Testament zijn, Jahweh. Door de mens te laten geloven in een door de Demiurg geschapen schijnwerkelijkheid, een schaduwwereld, zou de innerlijke verbondenheid van de mens met zijn goddelijke oorsprong en persoonlijke bestemming zijn verbroken. Jezus biedt de mens volgens de gnostische teksten een spiritueel pad om de eenheid met zijn goddelijke wezen te herstellen en zo uit de schijnwerkelijkheid verlost te worden en zich zo bewust te worden van zijn persoonlijke bestemming.

c.    Dualisme en non-dualisme in de gnostiek

Het is lang gebruikelijk geweest om de gnostiek dualistisch te noemen, alsof dat het hoofdkenmerk van de gnostiek zou zijn. Met dualistisch wordt dan bedoeld dat de geestelijke ziel van de mens gevangen zou zijn in een verachtelijk lichaam, en dat de hele stoffelijke werkelijkheid een duivelse schepping zou zijn. Maar die tegenstelling tussen een verheven geestelijke werkelijkheid en een verachtelijke materiële wereld is niet kenmerkend voor de gnostiek. Het lichaam als kerker van de ziel bijvoorbeeld stamt als idee van de Griekse filosoof Plato. En er zijn vele andere dualistische stromingen in de bloeitijd van de gnostiek, waaronder ook het traditionele christendom. Het celibaat van de Rooms-katholieke priester is erop gebaseerd. Bovendien bleek dat na de vondst van de Nag Hammadigeschriften niet alle stromingen binnen de gnostiek dualistisch zijn. Daarom zocht men op een conferentie in 1978 aan de Universiteit van Yale naar een nieuwe definitie die de verschillende stromingen van de gnostiek kon samenvatten. Men zag toen als bindend en definiërend element de ‘co-substantialiteit’ van de ziel van de mens met God. Daarmee bedoelt men dat de ziel van de mens van dezelfde substantie is als Gods wezen. Die visie is het helderst uitgedrukt in logion 108 van het Thomas-evangelie. Die luidt:

Jezus zei:

Wie uit mijn mond drinkt

zal zijn zoals ik en ik zoals hij;

en wat verborgen was zal hem geopenbaard worden.

Het gaat hier dus om de gelijkheid van het wezen van de mens met het wezen van God. Dat is het overkoepelende aspect van de verschillende gnostische stromingen. Daarom, en dat is een tweede kenmerk van de gnostiek, is kennis van het ware zelf ook godskennis. Dat zelfkennis ook godskennis is, is geen gedachte of geloof; het geldt in de gnostiek als een ervaarbaar inzicht. De gnostiek als spirituele traditie in zijn verschillende vormen streeft naar die ervaarde godskennis. Ook de mystiek streeft overigens naar ervaarde godskennis. Het verschil met de gnostiek is dat in de mystiek een ik-gij relatie gehandhaafd wordt. God blijft daarin de Ander. De mystiek beschrijft de ervaarde ontmoeting met het goddelijke als een liefdesrelatie van twee niet-identieke partners, zie bijvoorbeeld het Geestelijk Hooglied van de mysticus Juan de la Cruz. In de gnostiek is God echter niet de ander, maar identiek aan het zelf en daarmee geheel samenvallend, co-substantieel dus. In de geloofsbelijdenis van Nicea zoals die in 325 werd vastgelegd wordt gezegd dan Jezus één in wezen is met de Vader. Voor gnostici geldt dat voor elk mens. En dat is het fundamentele verschil tussen de traditioneel christelijke opvatting en de gnostiek: niet alleen Jezus is wezensgelijk aan de Vader, maar elk mens.

In hoeverre is de gnostiek nu toch dualistisch, dat wil zeggen: in hoeverre beschouwt de gnostiek de materie (het lichaam, de kosmos) als verderfelijk en duivels en het geestelijke (de ziel, het extra-mundane) als verheven en goddelijk? Men onderscheidt sedert de vondst bij Nag Hammadi binnen de gnostiek drie hoofdstromingen: de Thomas-gnostiek, de sethiaanse gnostiek, en de valentiniaanse gnostiek.

Het Evangelie van Thomas is overwegend non-dualistisch, dat wil zeggen dat het streeft naar de opheffing van die dualiteit. Er zijn echter ook enkele, waarschijnlijk later toegevoegde logia, die het dualisme benadrukken.

De Sethiaanse gnostiek is de meest platoonse in de radicale afwijzing van het lichaam en de stoffelijke werkelijkheid, en is dus streng dualistisch. We vinden die vooral verbeeld in het Geheime boek van Johannes uit de Nag Hammadigeschriften. Daar vinden we ook de meest nadrukkelijke afwijzing van de materiële schepping. De schepper uit Genesis in het Oude Testament is daar de boosaardige Demiurg. De streng dualistische opvatting van de Sethiaanse gnostiek toont een grote verwantschap met die van de vroege woestijnmonniken. In veel verhandelingen over de gnostiek wordt de Sethiaanse gnostiek als de norm voor alle gnostiek beschouwd.

De Valentiniaanse gnostiek ziet het dualistische onderscheid als niet-reëel. Wat we gewoonlijk voor de werkelijkheid houden is slechts een illusie waar men zich van kan bevrijden en die geheel onderscheiden is van het werkelijk bestaande. Men kan daarom de valentiniaanse gnostiek met reden ook als een monisme bestempelen. [1] Van de Valentiniaanse gnostiek wordt wel beweerd dat ze grote gelijkenis vertoont met het boeddhisme. Zie het citaat uit het Evangelie van de Waarheid [2]

d.    Gnostieke kernpunten

Steeds weer terugkerend in de strijd tussen kerk en gnostiek waren de volgende gnostieke opvattingen:

  • Afwijzing van elk uiterlijk gezag van enig instituut over het geloof. De innerlijke goddeijke vonk verleent elk mens morele zelfstandigheid.
  • De materiële wereld is geen historisch scheppingsproces, maar een emanatie
  • Jezus had geen materieel lichaam, maar was louter geest, verschijnend aan de mensen in een lichamelijke gedaante.
  • Geen verlossende werking van het zoenoffer van Jezus (verzoeningsleer).
  • Geen verlossende werking van het geloof.

Andere geschilpunten golden niet altijd voor alle gnostici, vanwege de vaak forse verschillen tussen de gnostieke scholen (Valentinianen, Slangenbroeders, Satornilos, Simon de Tovenaar enz.). Gnostici ontwikkelden zeer diverse mythische systemen, waarin Jezus, maar ook Adam, Eva en vele andere mythische figuren voorkwamen.)

e.    Stromingen

De gnostiek is moeilijk in detail te beschrijven omdat er zeer uiteenlopende en zich weersprekende opvattingen een plaats in kregen. De meeste stromingen hingen het docetisme of adoptianisme aan en sommigen integreerden het concept van reïncarnatie (hoewel niet altijd duidelijk is hoe dit wordt bedoeld en of het voor iedereen of alleen voor Christus geldig is). Een alomvattende synthese van de gnostiek is daarom slechts op hoofdlijnen te geven. Voor sommige stromingen is de aanduiding "gnostiek" niet geheel onomstreden, met name voor de manicheïsten en marcionisten. Een aantal stromingen uit de gnostiek:

f.     Evangelie van Thomas

Een van de meest tot de verbeelding sprekende teksten uit de gnostieke Nag Hammadi-geschriften is het Evangelie van Thomas, dat onder eindredactie van een gnosticus stond en voor een gnostische doelgroep was bedoeld. Een aantal spreuken hierin is beïnvloed door de gnosis. Dit Thomasevangelie bestaat uit een verzameling uitspraken van Jezus, die aanvankelijk werd geacht te zijn ontstaan in de tweede helft van de 2e eeuw. Maar in toenemende mate raakt men ervan overtuigd dat de oerversie van het evangelie van Thomas ouder is dan de bijbelse canon, en dat de datering daarvan min of meer gelijk is aan die van de veronderstelde verzameling uitspraken uit bron Q (van Duits: 'Quelle'), die aan de nieuwtestamentische evangeliën ten grondslag zou hebben gelegen.

g.    Verwantschap met Katharen en hermetisme

De vondst van de Nag Hammadi-geschriften heeft een opmerkelijke verwantschap doen zien tussen de vroegchristelijke gnostiek en de Katharen uit de twaalfde en dertiende eeuw. Men veronderstelt daardoor een onderbroken continuïteit tussen de Katharen en de gnostici uit de eerste eeuwen, ook al is die connectie nog niet overtuigend aangetoond.

De gnostiek syncretiseert meer van de in de klassieke oudheid wijdverbreide hellenistische filosofische opvattingen dan het orthodoxe christendom en is zodoende verwant aan niet-christelijke stromingen die dezelfde filosofie omhelsden, zoals de hermetische gnosis waarvoor de belangstelling tijdens de Renaissance weer opleefde. De christelijke gnostiek uit de eerste eeuwen, het katharisme uit de twaalfde en dertiende eeuw, de Renaissance met zijn belangstelling voor het hermetisme lijken zo in culturele zin aan elkaar verwant in die zin dat ze het belang van het individu onderstrepen. Sommigen zien zelfs een verband met de latere Aufklärung. Dan zouden de gnostiek, het katharisme en de Renaissance op gelijksoortige wijze de voorbodes zijn van wat later de moderniteit wordt genoemd. Dat overigens het orthodoxe christendom ook niet gevrijwaard bleef van 'paganistisch' gedachtegoed getuigt bijvoorbeeld de introductie van de Logos in het evangelie van Johannes.

h.    Dwaling

Eén van de belangrijkste thema's van de gnostiek is dat de mens van zichzelf vervreemd kan raken. Mensen kunnen vergeten wie ze zelf in werkelijkheid zijn. De onverloste mens is 'zichzelf  kwijt'. Het gevolg daarvan is dat zo iemand het contact met zijn innerlijk weten, de gnosis, verliest. Wie zichzelf kwijt is, leeft als een slaaf van onpersoonlijke machten. Deze staat van vervreemding van het ware zelf wordt in de gnostische teksten met velerlei verschillende termen beschreven, zoals slavernij, vergetelheid, slaap, dronkenschap, blindheid, de dood. De meest algemene term die daarvoor vaak wordt gebruikt is 'de dwaling', in de betekenis van 'verdwaald zijn'. Daarbij past het volgende verhaal, het Lied van de Parel.

Het verhaal vertelt over een koningszoon die door zijn ouders naar een ver land gestuurd wordt. De koningszoon krijgt de opdracht in het verre land een parel te zoeken. Als hij in dat land aangekomen is, vergeet hij echter zijn opdracht. Hij neemt de zeden van het vreemde land aan en wordt zo een 'zoon van het land'. Daardoor vergeet hij ook wie hij van oorsprong is, waar hij vandaan kwam en wat zijn opdracht was.

Maar dan komt er een boodschapper van zijn ouders. Die herinnert hem aan zijn afkomst. Nu weet hij weer wie hij is en hij herinnert zich ook zijn opdracht. Hij slaagt erin de parel te vinden en hij keert terug naar zijn geboorteland en wordt daar koning. Het Lied van de Parel verbeeldt de staat van de mens die verdwaald is geraakt in een vreemde werkelijkheid, zichzelf vergeten is en vervolgens door een verlosser weer aan zijn ware aard herinnerd wordt en zo leert zichzelf en zijn bestemming te hervinden. In de gnostische teksten is Jezus die verlosser.

i.     Herstel

De verlossing uit de dwaling kan de mens dus verkrijgen door zich zijn oorspronkelijke aard te herinneren, door zich te verbinden met zijn ware zelf. Dat proces wordt beschreven als bevrijding, wakker worden, weer nuchter worden, de genezing van blindheid, de opstanding uit de dood. De algemene term daarvoor is 'het herstel.'

Het woord 'herstel' dient te worden verstaan in de zin van 'genezing'. In het Nieuwe Testament wordt verteld hoe Jezus wonderen verrichtte. Hij genas zieken en wekte zelfs doden weer tot leven. Voor de gnostici waren dat geen feitelijke gebeurtenissen; het zijn geen wonderen. Het zijn symbolische beschrijvingen van 'het herstel' door Jezus als de verlosser uit de dwaling. De gnostische Jezus geneest mensen van de dwaling, hun zelfvergetelheid. Hij leert ze 'zichzelf herinneren'. Een gnostische tekst uit de vondst bij Nag Hammadi formuleert het zo: Sta op en herinner jezelf. Hier zien we heel kort samengevat de kern van de gnostiek: de opstanding is geen verrijzenis uit de lichamelijke dood, maar een spiritueel proces. Deze spirituele opstanding bestaat eruit dat je jezelf herinnert als een vrij mens, die op eigen kracht in staat is tot liefde. Wie zichzelf hervindt zal niet alleen weten wie hij is, maar ook zijn bestemming kennen. Ook dat weten behoort tot de gnosis (Daarover handelt een tekst uit het Evangelie van de Waarheid), ook een van de teksten die gevonden werden bij Nag Hammadi, geschreven door Valentinus:

Wie zo gnosis heeft, weet waar hij vandaan gekomen is en waar hij heen zal gaan. Hij weet, zoals iemand die dronken was, en weer nuchter is geworden en, tot zichzelf gekomen, zijn zaken weer op orde heeft gesteld.

j.     Bijeenkomsten en vieringen

Uit de geschriften van de gnostici zelf weten we nagenoeg niets over de aard van hun vieringen. Maar we kunnen daarvoor te rade gaan bij een tekst van Tertullianus, een van de belangrijkste bestrijders van de gnostiek. Hij schrijft over die bijeenkomsten:

Om te beginnen staat het niet vast wie er toehoorder is en wie een gelovige: iedereen heeft toegang op voet van gelijkheid. Ze ontmoeten elkaar in hun eigen huizen, ze luisteren naar elkaar als gelijken en bidden samen als gelijken. Zelfs als heidenen daaraan deelnemen voeren ze wat heilig is aan deze honden, en hun parels, hoewel vals, schenken ze aan deze zwijnen. Ze willen geen discipline, en het belang dat wij daaraan hechten noemen ze onderdrukking van de zwakken. Met iedereen die langs komt delen ze de vredeskus, want zij geven er niet om dat zij over bepaalde onderwerpen verschillend denken. Maar er is wel degelijk verdeeldheid onder hen, want zij houden er allerlei verschillende opvattingen op na, behalve de waarheid waar ze oorlog tegen voeren. Ze noemen iemand al volmaakt zonder dat die enige vorming heeft ontvangen. De ketterse vrouwen zijn zelfs brutaal genoeg – met onbedekt hoofd! - om anderen te onderwijzen, om deel te nemen aan discussies, misschien wel om te dopen.

Nergens is het zo gemakkelijk aanzien te verwerven als bij een bijeenkomst van deze ketters, want alleen al het feit dat je aanwezig bent wordt als een grote verdienste beschouwd. Vandaag is daar de één een bisschop en morgen weer een ander. De diaken van vandaag is morgen weer leek. Ja, zelfs leken laten zij het priesterambt uitoefenen! Hoe lichtzinnig, hoe werelds, hoe louter menselijk is het, zonder ernst, zonder gezag, zonder discipline, net als hun geloof. [3]

k.    Gnostiek en vrouwen

Vooral in de latere gnostische teksten vinden we een soms duizelingwekkende vloed van visioenen en mythische vertellingen. Om tot de betekenis daarvan te kunnen doordringen, moeten we werkelijk bereid zijn alle bestaande christelijke noties over God, Jezus en de Christus los te laten, of althans tijdelijk tussen haakjes te zetten. Zolang we die teksten met traditioneel-christelijke ogen lezen, zal het niet mogelijk zijn ze goed te verstaan. De gnostische mythologie is werkelijk radicaal anders dan de traditioneel-christelijke. Veel van die visioenen en mythen zijn geïnspireerd door de opstand tegen Jahweh. Die wordt daarin gewoonlijk voorgesteld als de Heer van het Kwaad, en krijgt dan als bijnaam ‘de Demiurg’. Hoe Jahweh door de gnostici als Heer van het Kwaad kon worden bestempeld, zien we uitgebeeld in hun volstrekt originele uitleg van het paradijsverhaal. Ze gaven daaraan een volkomen andere betekenis dan de schrijvers van het Oude Testament oorspronkelijk zullen hebben bedoeld.

Het paradijsverhaal kunnen wij lezen in Genesis, het eerste boek van het Oude Testament. Volgens dat verhaal leven Adam en Eva, de eerste mensen, aanvankelijk in een gelukzalige staat, het paradijs. Er is hun echter door Jahweh het verbod opgelegd om te eten van de boom van kennis van Goed en Kwaad. Jahweh waarschuwt de mens:

Want ten dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.

Maar dan komt de slang. Die zegt tegen Eva:

Gij zult geenszins sterven, maar God weet dat ten dage dat gij daarvan eet uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende Goed en Kwaad.

Eva eet van de boom, en:

Zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. Toen werden beider ogen geopend, en zij bemerkten dat zij naakt waren.

Jahweh ontsteekt daarover in grote woede en vervloekt Adam en Eva. Hij roept hen toe:

Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren.

En bij zichzelf overleggende besluit hij:

Zie, de mens is geworden als één onzer, door de kennis van Goed en Kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des Levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven.

Vervolgens verdrijft hij de mens uit het paradijs, en stelt een engel aan met een flakkerend zwaard om de weg tot de boom des levens voor hen af te sluiten. Hij maakt kleren van dierenhuiden voor hen en stuurt ze zo gekleed de wereld in.

Dit alles nu is voor de gnostici duidelijke taal: Jahweh wilde de mens bewust onwetend houden! Door hen te doen geloven dat zij slechts stof zijn, heeft hij hen, nadat zij van de boom van kennis van Goed en Kwaad hadden gegeten, opnieuw in onwetendheid gedompeld. Hij heeft hen met die bezwering tot ‘stoffelijke’ mensen gemaakt. Die staat van zijn als ‘stoffelijke’ mensen wordt gehandhaafd door de slaafse onderworpenheid aan de wet van Mozes. Gnostici zeggen dat Adam en Eva door toedoen van Jahweh een spirituele dood stierven, en met hen alle mensen na hen. En in de slang zien de gnostici een boodschapper die de mens de gnosis wil brengen over zijn goddelijke aard[4].

In de traditioneel-christelijke visie wordt de overtreding van het verbod op het eten van de boom van kennis van goed en kwaad door Eva en Adam gezien als de zondeval waar sedertdien alle mensen onder gebukt gaan. Voor Tertullianus, een fel bestrijder van de gnostiek, was Eva de oorzaak van die zondeval. Hij schreef aan de vrouwen uit zijn gemeente:

Weten jullie dat elk van jullie een Eva is? De toorn Gods rust op jullie geslacht tot op deze dag; en jullie schuld zal noodzakelijk blijven voortbestaan. Jullie zijn de poorten van de duivel. Jullie hebben zelf de vloek van die boom over je uitgeroepen. Jullie waren de eersten die de wet van Mozes overtraden. En jullie waren het die hem hebben verleid toen de duivel dat zelf niet durfde; jullie hebben Adam, het beeld van God vernietigd. Om wat jullie zelf verdienen, de dood, moest de Zoon van God sterven. (Tertullianus, De Cultu Feminarum, I.I - 2)

Maar de gnostiek geeft aan Eva een geheel andere rol. Zij is degene die Adam uit de diepe slaap van de onwetendheid wekte en hem daarmee de gnosis bracht. In het Geheime Boek van Johannes, een tekst uit de Nag Hammadigeschriften, zegt Eva tegen Adam nadat ze van de boom van kennis van Goed en Kwaad gegeten heeft:

Sta op en herinner jezelf. Volg mij, je eigen wortel.

In Oorsprong van de Wereld, een andere tekst uit Nag Hammadi, wordt verteld hoe Eva ziet dat Adam slaapt. Ze wordt daardoor met medelijden bewogen en ze zegt:

Adam, leef! Sta op!

Adam wordt wakker en als hij Eva ziet zegt hij:

Jij zult de moeder van de levenden genoemd worden, omdat jij degene bent die mij het leven schonk.

Hier zien we dus een uiterst positieve waardering voor Eva. Eva wordt in de gnostische teksten zelfs vaak beschreven als superieur aan Adam. De vrouwen speelden een navenant positieve rol in de gnostische gemeenschappen, tot aan de Katharen toe. Zij konden gelijkwaardig aan mannen alle sacramentele functies vervullen.

De hierboven al geciteerde kerkvader Tertullianus schrijft verontwaardigd over de gelijkwaardige rol van de vrouwen onder de gnostici:

De ketterse vrouwen zijn zelfs brutaal genoeg - met onbedekt hoofd! - om anderen te onderwijzen, om deel te nemen aan discussies. ((Tertullianus, Recepten tegen ketterij, 41)

Vrouwen spelen ook een opmerkelijk positieve rol in het gnostische Evangelie van Thomas. Die tekst bestaan uit 114 uitspraken van Jezus gewoonlijk in de vorm van vraag en antwoord. De meeste vragen worden gesteld door ‘de leerlingen’, die verder niet bij naam genoemd worden. Maar in twee logions is het een bij haar naam genoemde vrouw die een vraag aan Jezus stelt, Maria Magdalena in logion 21 en Salomé in logion 61. Van enige vrouwvijandigheid is hier zeker geen sprake. Anders van toon lijkt logion 114. Daar vraagt Petrus aan Jezus om Maria Magdalena weg te sturen ‘want vrouwen zijn het leven niet waard’. Jezus wijst Petrus echter terecht en zegt dat hij haar ‘tot man zal maken', dat wil zeggen dat hij haar een status zal geven die gelijkwaardig is aan mannen.

Eenzelf polemiek met Petrus treffen we aan in het gnostische evangelie van Maria Magdalena. Maria Magdalena vertelt daarin dat ze Jezus ontmoet heeft in een visioen. Petrus zegt daarop:

'Hij heeft toch niet gesproken met een vrouw, verborgen voor ons en niet in het openbaar, opdat we onszelf omkeren en allemaal naar haar luisteren? Heeft Hij haar verkozen boven ons?'

Toen huilde Maria, ze zei tot Petrus: 'Mijn broeder Petrus, wat denk je dus? Denk je dat ik, alleen, ze bedacht heb in mijn hart of dat ik de Verlosser bedrieg?

Levi antwoordde, hij zei tot Petrus: 'Petrus, sinds eeuwigheid ben je driftig. Ik zie je nu terwijl je redeneert tot de vrouw zoals die tegenstanders.

Als de Verlosser haar waardig heeft gemaakt, wie ben jij zelf dan om haar te verwerpen? Ongetwijfeld, de Verlosser kent haar grondig. Daarom heeft Hij haar meer liefgehad dan ons.'

Petrus is in deze teksten de representant van de zich dan vormende kerk van Rome, die vrouwen niet tot het priesterambt toelaat. De rol van de vrouw is bij de institutionalisering van de kerk van Rome een voortdurend twistpunt geweest met de gnostici. Daarin nemen de gnostici en Rome tegengestelde standpunten in.

Voor gnostici is het lichamelijke verschil tussen mannen en vrouwen van geen betekenis. Het gaat hen om de ziel. En die is voor mannen en vrouwen van dezelfde geestelijke substantie en dus niet alleen gelijkwaardig maar ook gelijk.

l.     Reïncarnatie

Sommige gnostici geloofden in reïncarnatie. Zij meenden dat alle menselijke zielen in slavernij waren geraakt aan 'de Machten van het Kwaad' (ook wel Archonten genoemd). Daardoor was het aardse leven ten prooi gevallen aan angst en geweld. Maar ze meenden ook dat het leven op aarde weer hersteld kon worden in zijn oorspronkelijke glorie, door een proces van evolutie van alle menselijke zielen door verschillende levens heen. Iedereen zou ooit verlost worden van de slavernij aan de Machten. In oosterse tradities staat het idee van reïncarnatie vaak in het teken van het geërfde karma uit een vorig leven. Bij de gnostici staat reïncarnatie in het teken van de persoonlijke herkansing. Het is vooral een hoopvol perspectief op een 'nieuwe hemel en een nieuwe aarde' in een volgend leven. Over reïncarnatie in de gnostiek zie ook: Evangelie van Maria Magdalena.

m.  Gnostische scheppingsmythe

In de oudtestamentische traditie schiep God op één enkel tijdstip, namelijk 'in den beginne', de gehele kosmos. Die kosmos bestaat sedertdien geheel op zichzelf en wordt in stand gehouden door God. Volgens sommige gnostische groeperingen werd de wereld op elk moment nieuw geschapen. Zoals het licht steeds weer opnieuw uit de zon straalt, zo vloeit in een nooit eindigend scheppingsproces de werkelijkheid voort uit de oerbron van het zijn. Men noemt dat permanente wordingsproces van de werkelijkheid: een emanatie. De werkelijkheid zoals we die om ons heen ervaren is een emanatie van de bron van alle zijn. Zie ook Emanationisme[14].

n.    Christusbewustzijn

In de traditionele christelijke godsvoorstelling wordt de onoverbrugbare afstand tussen de mens en God opgeheven door Christus. De mens is weliswaar naar Gods beeld geschapen, maar door zonde van God gescheiden. Mens en God zijn wezensongelijk, terwijl Jezus wordt gezien als zowel mens als Gods Zoon. In de gnostiek ziet men de mens als rechtstreeks verbonden met de bron (God). "Zoals een lichtstraal verwant is aan de zon, zo is ook de mens verwant aan de bron"; "wij hebben 'de gelaatstrekken van de Vader'"; "wij zijn 'de erfgenamen van de Vader'", zijn uitdrukkingen in gnostieke teksten die deze relatie verbeelden. De beeltenis van God, die elk mens in zich draagt, zoals een kind dat op zijn ouders lijkt, is het 'oorspronkelijk gelaat' van de mens, dat echter vergeten kan worden en dan tot onwetendheid leidt.

In de gnostiek heeft ieder mens twee naturen. De ene natuur is zijn persoonlijke natuur, waarbij hij zichzelf ervaart als geplaatst in de tijd, met een geboorte en een dood. Dat is de mens met een persoonlijke geschiedenis, een eigen identiteit en individualiteit en het bijbehorende 'persoonlijk bewustzijn'. De tweede natuur van de mens is zijn tijdloze, goddelijke kern, die in de gnostiek 'de Christus' wordt genoemd. Als bijvoorbeeld in de brief aan de Kolossenzen in het Nieuwe Testament gezegd wordt: 'Het geheim is dit: Christus woont in u,' dan is dat voor een gnosticus duidelijk verstaanbaar als het Christus-bewustzijn.

Er is hier een verwantschap met het boeddhistische begrip boeddha-natuur en de hindoeïstische Atman[15]. Het spirituele pad van de dharmische[16] religies heeft als doel het bewustzijn van de individuele mens weer te verenigen met zijn eigen boeddha-natuur of Atman, die tegelijk ook samenvalt met de ganse (ultieme) werkelijkheid. In het westen spreekt men dan echter gewoonlijk over het Christus-bewustzijn. Doel van de gnostiek is het persoonlijk bewustzijn te verbinden met het Christus-bewustzijn. Dat heet symbolisch: 'de vereniging in het bruidsvertrek'.

In het Nieuwe Testament wordt verteld dat Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan werd gedoopt. Op dat moment, zo gaat de vertelling, daalt de Heilige Geest op hem neer. Deze gebeurtenis geldt in de gnostiek als de realisatie van het tijdloze Christusbewustzijn door het sterfelijke individu Jezus. De Jordaan staat hier symbool voor de stroom van "zijn" die voortvloeit uit de oerbron. (Zie 'Scheppingsmythe' hierboven.) Jezus wordt hier dus symbolisch ondergedompeld in de oerstroom van het zijn, en ervaart op dat moment zijn Christusbewustzijn. Hij is een Christus geworden en zal voortaan zijn discipelen leren hoe ook zij een Christus kunnen worden, dat wil zeggen, zich bewust worden van de Christusnatuur die reeds in hen, en in alle mensen, aanwezig is. In de kerkgeschiedenis wordt deze opvatting adoptianisme genoemd.

o.    Kerkelijke bronnen voor de studie van de gnostiek

Tot voor de vondst van de Nag Hammadigeschriften kenden we de gnostiek alleen door de teksten van de bestrijders. Hierna volgen de belangrijkste. Justinus de Martelaar Justinus de Martelaar (Justin Martyr) (ca.110-165) is de eerste bekende bestrijder van de gnostiek. Zijn werken dateren uit het midden van de 2de eeuw. Hij verschaft informatie over drie personen die volgens hem ketters zijn: Simon Magus (Simon de Tovenaar, die ook voorkomt in Handelingen 8), Menander en Marcion. Zijn werken tegen de gnostici zijn verloren gegaan, maar in zijn ‘Eerste Apologie aan Romeinse keizer Antonius Pius' vermeldt hij zijn 'Syntagma': ‘Er is ook een samenvatting (Syntagma) die we hebben samengesteld tegen alle ketterijen. Als u daar kennis van wilt nemen zullen wij het u doen toekomen.’ We kennen we de inhoud van zijn teksten min of meer door aanhalingen van latere bestrijders. Irenaeus heeft waarschijnlijk veel aan hem ontleend, zeker voor zijn eerste boek.

Irenaeus van Lyon Ongetwijfeld de meest invloedrijke bestrijder van de gnostiek was Irenaeus van Lyon. Hij schreef ‘Tegen de ketters, Ontmaskering en weerlegging van wat ten onrechte gnosis wordt genoemd.’ Met die titel haakte hij aan bij een zin uit een brief die ten onrechte aan Paulus is toegeschreven en die dateert uit het begin van de tweede eeuw: ‘Timoteüs, waak over hetgeen je is toevertrouwd en mijd het goddeloze gepraat en de tegenstrijdigheden van wat ten onrechte gnosis wordt genoemd. (1 Timoteüs 6:20)’ Zijn werk bestaat uit vijf delen. Het eerste deel dateert van ongeveer 180, de andere delen volgden ruim tien jaar later. Tot voor de vondst van de Nag Hammadigeschriften was Irenaeus de belangrijkste bron van kennis over de gnostiek. Irenaeus is de eerste officiële kerkvader. Dat is, vanuit kerkelijk standpunt gezien zeker terecht. Zijn strijd tegen de gnostiek leverde ook de eerste heldere formulering op van datgene wat hij als de ware christelijke leer zag. Hij stelde zelfs de allereerste geloofsbelijdenis op, die nagenoeg ongewijzigd in 325 werd overgenomen op het concilie van Nicea en sedertdien geldt als de officiële geloofsbelijdenis van de Rooms-katholieke kerk. Ook onder protestanten is Irenaeus erkend als belangrijke bron; hij wordt door hen zelfs wel gezien als degeen die ‘het ware christendom’ beleed, waar dan de RKK later van zou zijn afgeweken. Irenaeus gold tot de vondst van de Nag Hammadigeschriften lang als de voornaamste bron van kennis over de gnostiek. Hoewel die vondst enerzijds bevestigt dat zijn feitelijke weergave van de gnostische bronnen grotendeels correct was, wordt zijn visie daarop nu toch gezien als te eenzijdig polemisch. Zijn vijandbeeld van de gnostiek vervulde voor hem ook de retorische functie van contrastmiddel voor een scherpe afbakening van de door hem geformuleerde ‘ware christelijke leer.’ Zijn beeld van de gnostiek toont bijvoorbeeld een veel te grote samenhang van de gnostiek als ketterse stroming. De gnostiek blijkt sedert de vondst van de Nag Hammadigeschriften veel veelzijdiger en diverser dan Irenaeus voorstelde.

Tertullianus Een extreem felle bestrijder van de gnostiek was Tertullianus (ca. 160-ca. 230)). Hij besteedde bijna zijn hele leven aan de strijd tegen wat hij noemde ‘de meest verderfelijke van alle ketterijen’, de gnostiek dus. Zijn werken in dit verband zijn: 'De Praescriptione haereticorum', 'Adversus Marcionem', 'Adversus Valentinianos', 'Scorpiace', 'De Carne Christi', 'De Resurrectione Carnis', en tenslotte 'Adversus Praxeam'.

Hippolytus van Rome Hippolytus (Ť ca. 235) geldt als een leerling van Irenaeus. Hij schreef ‘Weerlegging van alle ketterijen’ (Refutatio omnium haeresium) geschreven rond 222. Hippolytus beweerde dat de gnostici hun leer ontleenden aan ‘de heidenen’. Zijn eigen standpunten zijn niet altijd goed onderbouwd, en worden niet meer serieus genomen, maar hij is historisch van groot belang omdat zijn Refutatio een nagenoeg encyclopedisch overzicht geeft van allerlei gnostische stromingen en bronnen waaruit hij rijkelijk citeert, zoals bijvoorbeeld ‘De Grote Openbaring’ van Simon Magus. Door de vele citaten en bronvermeldingen is hij voor de studie van de gnostiek minstens even belangrijk als Irenaeus, ook omdat hij de ontwikkelingen van de gnostiek schetst van na Irenaeus.

Clement van Alexandrië Ook Clement van Alexandrië (ca. 150-ca. 215) geldt als kerkvader. Dat is zeer opmerkelijk omdat hij er uitgesproken gnostische opvattingen op nahield. Hij stelde zich ten doel de gnostiek met de officiële leer van de kerk te verzoenen. Aan zijn boeken ontlenen we zeer veel waardevolle informatie over het geschil tussen kerk en gnostiek. Hij schreef: ‘Paedagogos’, ‘Stromateis’, en ‘Excerpta ex Theodoto’.

Origenes Origenes (Ť ca. 255) wijdde geen speciaal werk aan de gnostiek maar in vier van zijn boeken geschreven rond ongeveer 230 verwerpt hij enkele typisch gnostische standpunten: dualisme, docetisme en emanationisme.

Epiphanius van Salamis Aan het eind van de vierde eeuw stelde Epiphanius van Salamis (ca.310 - 403) een lange lijst samen, door hem ‘Panarion’ (mediciijnkastje) genoemd, van wat hij als ketterijen beschouwde. Niet al die vermeende ketterijen waren overigens gnostisch. Hij baseerde zijn Panarion mede op het werk van vroegere ketterijbestrijders, maar voegde zelf citaten toe uit primaire gnostische teksten. De meeste geleerden hebben geen hoge dunk van zijn betrouwbaarheid, maar zijn werk is desondanks nuttig vanwege de vele letterlijke citaten. Hij lanceerde een felle aanval op Origenes. Dat leidde ertoe dat Origenes, ongetwijfeld de grootste theoloog van het vroege christendom, tot ketter werd verklaard in 553.


11. Bijlage 2

a.    Paulicianen

De Paulicianen vormden een gnostische religieuze stroming, opgericht in de 7e eeuw in Armeense Kibossa die zich ontwikkelde naast de christelijke kerk s.

Het dualisme dat de tegenstelling tussen geest en stof absoluut wilde maken, zoals vroeger de gnosis en het manicheïsme, herleefde bij de Paulicianen sinds ongeveer 650. De Paulicianen baseerden zich uitsluitend op Paulus' brieven en op de evangeliën. De Paulicianen vonden de rest van de bijbelse boeken duivels. Ze verwierpen elk samengaan tussen kerk en staat en vonden de kerk veel te materialistisch.

Over de oorsprong van het paulicianisme is weinig bekend, maar mogelijk heeft naast het Manicheïsme ook het Nestorianisme een rol gespeeld.

De Paulicianen werden vervolgd in Armenië tijdens keizerin Theodora. Later werden de Paulicianen voor militaire doelen ingezet op de Balkan (970), waar hun inzichten doorwerkten op de bogomielen in de tiende eeuw. Via de Paulicianen en bogomielen belandde vermoedelijk gnostisch en manichees materiaal in de gnostische stroming van de Katharen.


12. Bijlage 3

 

a.    Bogomielen

In de tiende eeuw ontstond in Oost-Europa (Bulgarije) de Kerk der Bogomielen, genaamd naar hun stichter, de priester Bogomiel (hij die door God bemind wordt). In twee eeuwen tijd verspreidde zich zijn beweging over Servië, Bosnië, Macedonië en Klein-Azië. In de twaalfde eeuw stichtte de Macedonische monnik Basil een Bogomielse gemeente in Constantinopel. Hij werd onder valse voorwendsels bij keizer Alexius I uitgenodigd, gegrepen en verbrand nadat hij weigerde zijn eigenzinnige geloofsopvatting te herzien.

                                         i.    Religie

De Bogomielen hingen een wereldbeeld aan dat gekenmerkt door een metafysisch dualisme, waarin de geschapen materiële wereld slecht is en de geestelijke goddelijke wereld goed. Deze visie ontleenden de Bogomielen aan gnostische stromingen en vooral aan het Manicheïsme.

                                        ii.    Dualistisch wereldbeeld

De onrechtvaardigheid in de wereld en de wantoestanden in de toenmalige kerk hebben de Bogomielen beïnvloed in het ontvankelijk worden voor de overtuiging dat uiteindelijk alles in de wereld kwaad is. Hieruit ontwikkelden zich twee opvattingen, die sterk van het christendom afwijken en die de grondslag vormden voor de latere vervolging van de Bogomielen:

  • de wereld is slecht en kan dus niet door God geschapen zijn;
  • verlossing ligt weliswaar in God, maar omdat die in deze slechte wereld niet toegankelijk is, moet een geheime weg naar God ontdekt worden. Omdat dit een menswording van God uitsluit, sneuvelde ook de stelling dat Jezus zoon van God is.

Bij de Bogomielen vindt men daarom de gnostische opvatting dat niet God, maar Sataniël, de Duivel, de schepper van de wereld was. Sataniel werd door Bogomielen als de in opstand gekomen zoon van God gezien, zijn broer Michael was de goede zoon van God. Michael zou Jezus de kracht schenken om het verbond tussen de eerste mens Adam en Sataniel te doorbreken.

Deze opvatting vindt men precies zo terug in het geschrift Les Questions de Jean van de Katharen: En hij (Sataniël, Satan) vatte het plan op de mens te scheppen om hem te dienen, en hij nam het leem van de aarde en vormde de mens naar zijn gelijkenis. En hij beval de engel uit de tweede hemel het lichaam van leem binnen te gaan; en hij nam nog een stuk en maakte een tweede lichaam in de gedaante van een vrouw, en hij beval de engel van de eerste hemel er binnen te gaan. De engelen weenden hevig toen zij zich omsloten zagen door dit sterfelijk omhulsel met kenbare vormen.

In de afkeer van alles wat van deze wereld was, verwierpen de Bogomielen het Oude Testament (vergelijk Marcion), de goddelijkheid van Jezus (vergelijk adoptianisme) en diens verrijzenis, de liturgie, de sacramenten, de kerkelijke hiërarchie, het kruis, de iconen en de verering van Maria. Bovendien maakte steeds een ascetische manier van leven deel uit van de leerstellingen, zowel seksuele onthouding als vegetarisme maakten er deel vanuit.

                                       iii.    Hiërarchie

Kenmerkend voor de gnosticistische en Manicheïstische levensbeschouwing is een hiërarchie van gelovigen. Hoe verder een gelovige is ingewijd in de geheime kennis God te kunnen ontdekken, hoe hoger op de ladder hij komt te staan. De Bogomielen kenden toehoorders, gelovigen en verlichten, nagenoeg gelijk aan de auditores, electi en perfecti van de Manicheeërs of de hylikoi ("materiemensen"), psychikoi ("zielmensen") en pneumatikoi ("geestmensen") uit de gnostiek. Deze hiërarchie had ook gevolgen voor de mate van ascese (toehoorders oefenden minder ascese, verlichten oefende volle ascese).

                                       iv.    Ascese

De Bogomielen zochten verlossing uit het lichaam door de deugden en ascese te beoefenen. Zij preekten geweldloosheid bij de mens en tussen mens en dier. Opgemerkt moet worden dat de leer der Bogomielen van de 9e tot de 14e eeuw niet onveranderd bleef, ook niet in verband met het vegetarisme van hun uitverkoren leiders. Soms kon een strenge ascese tijdelijk gelden, waarna de mens gereinigd zou zijn. Daarna kon de ascese worden opgegeven.

                                        v.    Nalatenschap

In de 13e eeuw werden met name de Katharen in verband gebracht met de Bogomielen. De overeenkomsten in de leerstellingen zijn inderdaad frappant en nauwelijks toevallig. De Bogomielen zijn lange tijd vervolgd totdat zij na toevlucht in Bosnië te hebben gevonden in de islam opgingen. In de strijd tegen de Bogomielen werden deze soms voor schaamteloze wellustelingen uitgemaakt; een reputatie die de Katharen zouden overnemen. Illustratief hiervoor is het Engelse woord "bugger" (flikker), dat is afgeleid van "Bulgarian" (veel bogomielen waren Bulgaren).

 


 

 

13. Bronvermelding

Het Heilige Bloer en de Heilige Graal [Boek] / aut. Michael Baigent Richard Leigh, Henry Lincoln. - 1982. - Vol. pag 35 - 49.

Katharen [Online] / aut. Wikipedia.

Montaillou. Een ketters dorp in de Pyreneeen 1294 - 1324 [Boek] / aut. Ladurie Emmanuel Le Roy. - [sl] : Bert bakker, 1975.

De Katharen, geschiedenis en geheimen [Boek] / Sean Martin: Librero 2009

L’Inquisition en Quercy – L’Heresie Albigeoise/ aut. Edm. Albe, herdrukt :Lacour/ Rediviva 1998

Cathares, Dela croisade contre les Languedociens / aut. Voltaire, herdrukt :Lacour/ Rediviva 1998



[1] In de tiende eeuw ontstond in Oost-Europa (Bulgarije) de Kerk der Bogomielen, genaamd naar hun stichter, de priester Bogomiel (hij die door God bemind wordt).

[2] Onder heidendom of paganisme (uit het Engels, betekent letterlijk heidendom) worden door het christendom alle religies begrepen die noch monotheïstisch zijn, noch op de Bijbel zijn gebaseerd.

[3] Het arianisme is een stroming binnen het christendom, ontstaan in het begin van de 4e eeuw, die werd genoemd naar haar stichter Arius (256-336), presbyter van Alexandrië.

[4] Nestorianisme ('leer van Nestor') is de leer dat Christus bestaat als twee personen; de man Jezus en de heilige Zoon van God (of Logos / Woord) en staat in tegenstelling tot de leer van de twee naturen (Echt God en Echt Mens) van een heilige persoon.

[5] Het Manicheïsme is een oude religie, gesticht door Mani (216-276) in het oude Perzië. Mani was opgegroeid in de joods-christelijke sekte van de elkesaieten (met een mogelijke maar omstreden verwantschap met de mandaeïsme), maar ging op grond van eigen 'openbaringen' zelf een stelsel verkondigen, met een algehele tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen ziel en stof: het manicheïsme.

[6] Het jodendom is de religie van het Joodse volk en de oudste of één van de vroegst ontstane monotheïstische godsdiensten, en behoort tot de oudste religieuze tradities die vandaag de dag nog worden beoefend.

[7] De Waldenzen, ook armen van Lyon genoemd, waren een middeleeuwse religieuze beweging. Zij wilden dicht bij de bijbel blijven, welke zij beschouwden als de enige geloofsautoriteit.

[8] De Hussieten zijn een verzameling van protestantse groeperingen, die zich door de theoloog Johannes Hus geïnspireerd zagen.

[9] De taborieten, genoemd naar hun voornaamste basis de Boheemse stad Tábor, zijn als navolgers van het gedachtegoed van Johannes Hus radicaler en verwerpen veel meer als on-Bijbels dan Johannes Hus ooit heeft gedaan. Zij kenmerken zich door een sterke toekomstverwachting, gemeenschapszin en hervormingsijver. Omdat ze werktuigen wilden zijn van Gods gericht en een nieuwe Godsstaat wilden vormen vertoonden ze aanvankelijk wreed gedrag. Onder leiding van Ziska plunderden ze de kastelen van ridders in Bohemen en Silezië, en ook het kerkbezit moest eraan geloven. Zo werden ze in de wijde omtrek gevreesd. Ze raakten echter intern verdeeld. De Adamieten gingen ertoe over om hun vrouwen als gemeenschappelijk bezit te beschouwen.

 

[10] Wat anabaptisten onderscheidt van andere protestanten is hun leer van de volwassendoop, daarmee de verwerping van de kinderdoop inhoudende. Om die reden en tevens vanwege politieke meningsverschillen werden zij indertijd niet alleen fel bestreden door de Rooms-katholieke Kerk maar ook door de andere protestanten. Anabaptisme betekent 'opnieuw dopen', vandaar ook de andere naam die voor hen in zwang was, de wederdopers.

 

[11] Les Camisards étaient des protestants français (Huguenots) de la région des Cévennes, en France, qui ont mené une insurrection contre les persécutions qui ont suivi l'Édit de Fontainebleau en 1685. La révolte des Camisards éclate en 1702, avec les affrontements les plus importants en 1704, puis une lutte moindre jusqu'en 1710 avant une paix définitive en 1715.

[12] Decretalen zijn pauselijke vonnissen in briefvorm, zogeheten litterae decretales, uit de middeleeuwen.

[13] Een accusatoir proces (ook wel accusatoire rechtspleging) is een vorm procesvoering waarbij het initiatief bij de procespartijen ligt. Het proces is bijna volledig in handen van de partijen: zij bepalen het voorwerp van de rechtszaak en zij zijn verantwoordelijk voor de bewijsvoering. De rechter heeft een passieve rol in een accusatoir proces. Hij mag enkel de hem voorgelegde zaak beoordelen en hij mag in principe zelf geen procesmaatregelen bevelen.  België en Nederland hebben met name de burgerlijke processen een accusatoir karakter. Het omgekeerde van een accusatoir proces is een inquisitoir proces.

 

[14] Emanationisme is een filosofische stroming die uitgaat van een evolutie door emanatie, uitstorting. Het is een filosofie over het ontstaan van alles: zowel de kosmos, als ook het leven, eigenlijk over alles wat bestaat.

[15] Atman betekent: (zelf, ziel, ik, bewustzijn). Het zou verwant zijn aan het Nederlandse woord "adem" of het Duitse woord "Atmen". Het is een begrip uit het hindoeïsme en heeft een universeel karakter.

[16] De betekenis van dharma is: 'de wezenlijke natuur van iets' of de 'natuurlijke wetmatigheid' die eraan ten grondslag ligt. Het volgen van de dharma heeft betrekking op het pad van het menselijke welzijn in de ruimste zin.

Comments