Lezingen‎ > ‎

voorbeeldlezingen

De drang tot voortbestaan

Geplaatst 18 jul. 2017 07:48 door Jeroen Ketelaars   [ 18 jul. 2017 07:49 bijgewerkt ]




In deze column beschrijft broeder Cees van Dam hoe je binnen de vrijmetselarij je weer als autonoom individu kunt bewegen anders dan een door de sociale context gestuurd radartje in de maatschappij. 

Zéér lezenswaardig!

Klik op onderstaande pdf

De oude plichten van de vrijmetselaars en de vrijmetselarij

Geplaatst 23 dec. 2015 01:31 door Jeroen Ketelaars   [ 23 dec. 2015 01:36 bijgewerkt ]

In dit bouwstuk wordt ingegaan op de geschiedenis van de vrijmetselarij en hoe vrijmetselaars zich organiseerden door enkele 'spelregels' af te spreken en die vast te leggen in een document vast te leggen. 

De Brit James Anderson stelt in 1723 de grondregels vast in zijn boek The Constitutions of Freemasonry. Deze grondregels zijn gebaseerd op de zogenaamde Old Charges (de Oude Plichten) en zijn compilatie van oude constituties en regels van operatieve loges. 

Lees hier hoe vrije denkers zich organiseerde en welke denkrichtingen daar invloed op hadden.

Over Spinoza, Johannes de Evangelist en de vrijmetselaars

Geplaatst 23 dec. 2015 01:14 door Jeroen Ketelaars   [ 23 dec. 2015 01:18 bijgewerkt ]

Het gedachtegoed van Spinoza, Johan de Evangelist en de vrijmetselaars hebben zeer interessante raakvlakken. In dit bouwstuk dat tijdens het Winter St. Jan, een jaarlijkse ceremoniële viering van de vrijmetselarij, door de redenaar van vrijmetselaarsloge De Waare Broedertrouw te Gouda werd opgeleverd, wordt daarin breed over uitgeweid.

Vrijmetselaars staan open voor de gedachten van andersdenkenden en hen die de nuance zoeken in de overweging. Spinoza nam die rol op zich in een tijdsbeeld dat het instituut 'de kerk' andere gedachten moeizaam accepteerde. Zeker interessant als je bedenkt dat Johannes de Evangelist trachtte zijn medemens deelgenoot te maken van zijn ervaring door het oproepen tot persoonlijke doorleving van een mysterie.

Klik hier om dit zeer interessante bouwstuk over deze overwegingen tot je te nemen en dat het mag bijdragen aan jouw persoonlijke doorleving van je levensvragen.

Jazz en vrijmetselarij

Geplaatst 23 dec. 2015 00:20 door Jeroen Ketelaars   [ 23 dec. 2015 00:23 bijgewerkt ]


In het bouwstuk 'Ontwikkelingen in de Jazz, Vrijmetselaarsarbeid?' gaat Broeder Aat de Jong in op het ontstaan en ontwikkeling van de Jazzmuziek. Veel bekende muzikanten waren vrijmetselaar en lieten zich door het gedachtegoed inspireren.

Klassieke componisten als Sibelius, Pijper en Mozart zijn bekende vrijmetselaren, bekende Jazzmusici waren onder meer Duke Ellington lid van de orde evenals Nat King Cole, W.C. Handy, Dizzy Gillespie, Count Basie, Lionel Hampton, Paul Robeson en nog vele andere.

Waarom zijn er dan zoveel Jazzmusici onder de vrijmetselaars te vinden? Dat heeft wellicht zijn oorsprong in het begrip vrijheid. Zoals de vrijmetselaar wars is van dogma’s, zo is in de ontwikkeling van de Jazz ook een vrijmaking van muzikale dogma’s aan de orde. Daarin is een grote overeenkomst te vinden en verklaart wellicht ook waarom de Jazz is ontstaan in de zwarte bevolking van de zuidelijke staten van de Verenigde staten.

Bouwstuk Licht versus Duisternis

Geplaatst 9 sep. 2012 22:28 door Jeroen Ketelaars

Op de dag der Vrijmetselarij, afgelopen 8 september in het Logegebouw te Gouda, werd tijdens de ceremoniële demonstratie een kleine lezing gehouden.
Deze lezing waarover door leden en bezoekers van gedachten werd gewisseld staat hieronder weergegeven.

Achtbare Meester, Waarde Broeders en Zusters, Beste gasten,

Ik zal mij eerst voorstellen. Ik ben Ria Peerdeman, voorzitter van loge Pythagoras. Dat is de club van vrijmetselaren waar zowel mannen als vrouwen aan deelnemen. Wij komen een maal per 2 weken bijeen, op maandagavond in dit gebouw.

Aan mij de taak een klein bouwstuk op te leveren. Zo noemen we dat. Het is de bedoeling dat u een beetje een idee krijgt van onderwerpen die wij met elkaar bespreken. Dat doen we overigens soms hier in de werkplaats, ook wel tempel genoemd. Maar vaak in de vergaderkamer hiernaast.

Ik wil het hebben over de duisternis versus licht, ofwel over de gedachten achter onze geblokte vloer. U ziet dat die zwart wit is. Dat is hij overal in alle vrijmetselaarsgebouwen. We hebben veel symbolen die gaan over duisternis en over licht. De geblokte vloer is er een van.

LICHT

Als we over licht spreken hebben we het natuurlijk niet over TL- of ledverlicht. Zelfs niet over zonlicht. Onze lichtsymboliek verwijst naar innerlijk licht, naar verlichting, naar inzicht.

En inzicht daar zijn wij vrijmetselaren dol op. We willen kennis. We houden besprekingen over allerlei onderwerpen, om meer kennis te krijgen. Vooral willen we kennis over onszelf. Bij de ingang van iedere werkplaats staat dan ook: Ken U zelf.

Het kan ook zijn dat we inzicht willen hebben in persoonlijke problemen, of in problemen in de samenleving.

Ik denk dat we dit inzicht, dit licht, alleen kunnen verkrijgen dankzij de duisternis. Licht is altijd de bron van onze vreugde, maar licht kan tevens de beloning zijn na de duisternis.

Duisternis

Duisternis associëren we met nacht, met kwaad, met kou. Letterlijke kou, en  figuurlijke kou. We hebben het over de duistere perioden in ons leven. Dat zijn de momenten waarop we geliefden verliezen, waarop we een crisis beleven. Het zijn de momenten, die ieder van ons kent. Waarop we soms de bodem van de hel aanraken.

Maar, ook al klinkt het paradoxaal, ik denk dat er in duisternis ook iets goeds is te vinden.

Allereerst kan de duisternis letterlijk mooi zijn. Natuurlijk bij volle maand, maar ook bij nieuwe maan en je, als je geluk hebt, de melkweg kunt zien.

Ook in figuurlijke zin is het verstandig om niet onmiddellijk de duisternis te willen verlaten, want er is in die duisternis een grote schat te vinden.

Inzichten kunnen juist in duisternis ontkiemen. Inzichten over jezelf bijvoorbeeld. Als je je heel beroerd voelt, kun je zo snel mogelijk afleiding zoeken, of een borrel nemen, of een reep chocolade. Bij grote tegenslagen is afleiding zoeken, soms het enige wat helpt, om zo te kunnen overleven.

Maar het is uiterst leerzaam als je na verloop van tijd kunt onderzoeken: wat is er met me aan de hand? Waarom voel ik me zo ellendig? Voel ik me bijvoorbeeld jaloers? Onmachtig? Schuldig? Vernederd? Afgewezen? Heb ik wraakgevoelens? Of is het rouw om een verlies?

Als je die vraagt – wat is er nou echt met me aan de hand – kunt beantwoorden, leer je jezelf beter kennen.

 

Rust

Meestal is er een zekere rust nodig om de innerlijke dialoog aan te kunnen gaan. Ik kan u zeggen dat de file voor mij een mooi moment is om mijn eigen gedrag te onderzoeken. Nog beter vind ik het om een dag in mijn eentje te gaan wandelen en dan pen en papier mee te nemen, waarop ik mijn bevindingen kort noteer.

Voor anderen is meditatie een goed moment voor bezinning op het eigen gedrag, of een dagboek, of een gesprek bij de open haard met een goede vriend of vriendin.

De grote professor Jung zegt: ‘Datgene in onszelf wat we niet tot ons bewustzijn laten doordringen, doemt in ons leven op als het noodlot’. Ofwel, zeg ik erbij, als duisternis.

Een andere uitspraak van Jung: ‘Als we een goede verhouding hebben met het onbewuste, is het geen demonisch monster. Het wordt alleen gevaarlijk als onze bewuste aandacht ertegenover verkeerd is. Een goede verhouding met onze eigen duisternis is een groot geschenk. Het brengt ons terug naar ons verborgen potentieel.’

Etty Hillesum was een Joodse vrouw die vermoord is in Auschwitz. In haar dagboek staat  “Ieder van ons moet in zichzelf inkeren en in zichzelf vernietigen wat hij denkt in anderen te moeten vernietigen.”

De bekende psychiater Elisabeth Kubler-Ross die van de begeleiding van stervenden haar levenswerk heeft gemaakt zei o.a.:

-      Jullie moeten begrijpen dat je de wereld niet kunt genezen zonder eerst jezelf te genezen.’

-      Alles wat je uit je evenwicht brengt, helpt je je onafgemaakte zaken bloot te leggen’.

-      En voor degenen die vrezen voor het laatste duister, ofwel voor het sterven, daarvan heeft  Elisabeth Kubler-Ross, die aan het sterfbed van duizenden mensen zat, gezegd: ‘Sterven is niet moeilijk, want je doet het niet alleen. Je geliefden die al zijn overgegaan komen je halen.’ Ik hoop dat het waar is.

 

Achtbare meester, ik heb gezegd.

 

Ria Peerdeman

Voorzitter loge Pythagoras NGGV

08-08-2012

 

 

 

Licht in duistere tijd. Het redenaarsbouwstuk Zomer St. Jan 2012

Geplaatst 21 jun. 2012 01:43 door Jeroen Ketelaars

Waarde broederschap,
 

Hedenmiddag zijn wij bijeen om in deze tijd waarop we op in de natuur het meeste licht maar waar we in de cultuur veel minder licht dreigen te zien. Steeds weer spreken wij het vertrouwen uit dat de duisternis het licht niet heeft overwonnen. Maar als we om ons heen kijken is daar niet veel hoop op voor de beschouwer.

 

De media overspoelen ons met alarmerende berichten over ongeveer alles wat ons ter harte gaat. We leven in een informatie-tijdperk. En die wordt wordt over ons uitgestrooid. De hoeveelheid informatie in woord en geschrift die in de geschiedenis van de mensheid is geproduceerd wordt nu per twee dagen verspreid. Met andere woorden meer dan 5000 jaar informatie wordt nu iedere twee dagen geproduceerd. Helaas kunnen we niet stellen dat de betrouwbaarheid eveneens is toegenomen. Integendeel, alle  informatie die op ons afkomt moet gewogen en beoordeeld worden op haar merites.

 

Hoe kan een vrije denker nog overeind blijven als hij gehinderd wordt door te moeten denken in een tijd met een lawine aan (oncontroleerbare) informatie. Onnoembare hoeveelheden visuele en hoorbare prikkels. Die vaak enerzijds vaak overdreven negatief of anderzijds overdreven positief en wervend is. Wij, opgegroeid in de 20e eeuw hebben de neiging om onze autonomie, onze persoonlijke kwaliteiten en de ontwikkeling daarvan, te zien als het belangrijkste goed. Maar is dat nog wel reëel? Als er geen universele wetenschappers meer kunnen bestaan, hoe kan ik dan nog verwachten wel zelf en alleen te ordenen van alles wat op mijn weg komt.

 

Wellicht ligt er een antwoord in het denken vanuit een andere optie.De optie van de verbinding. Ik denk dat verbinding tussen mensen een basisprincipe is en de belangrijkste voorwaarde voor een betere toekomst. Als individu, gemeenschap, land en wereldburger kunnen wij alle uitdagingen aan, als we dat maar doen vanuit gezamenlijkheid. Streven naar meer verbinding in alle lagen van de maatschappij uitgaande van de volgende vier aandachtspunten :

·         Geloof in verbinding met jezelf.

·         Dat betekent dat ieder individu voor zichzelf vaststelt wat hij wil en kan. Mensen die beter weten wat ze willen en wat ze kunnen zijn beter in staat zich te verbinden met anderen.

·         Verbind je actief met andere mensen.

 

Dat betekent dat we ten eerste openstaan voor andere mensen en andere ideeën. Ten tweede tonen we belangstelling voor andere mensen. Ten derde zijn we kritisch, zowel naar anderen toe als naar onszelf.

 

Roep onze onze leiders op om gehoor te geven aan onze oproep tot verbinding.

Vraag hen om te stoppen met polariseren en om op een proactieve manier hun invloed aan te wenden om conflicten te beëindigen. Een echte leider verbindt, niet alleen zijn of haar medestanders maar ook zijn of haar tegenstanders.

 

Leef en handel volgens de principes van verbinding.

De beste manier om verbinding te stimuleren is door zelf te ervaren wat de voordelen zijn van een verbonden leven en een verbonden wereld. En dat anderen voor te leven.

We hebben dat gedaan het afgelopen jaar door ons thema: De Teleurstelling. Velen van U hebben daar een inleiding over gehouden en ieder van u heeft gecompareerd, in verbinding meegedacht met die inleiders.

 

Ik breng u in herinnering vorige week toen we met elkaar compareerden over de teleurstelling als evolutionair voordeel. We stelden vast dat wij als mens er nog maar net zijn in de tijd en dat evolutionair voordeel ons heeft gebracht tot waar we nu zijn. In de honderdduizenden jaren dat we rondzwierven over de savannes hebben we ons ontwikkeld tot wie we nu zijn.

Vrije mannen van goede naam die regelmatig bijeenkomen, binnen de getande rand van onze broederschap, om na te denken over onszelf, in verbinding met de ander. Want u en ik, wij staan op dit moment, in deze tijd op onze plek in de eeuwigheid. En staan voor de geweldige taak om dat wat ons voorging te evalueren en door in het hier en nu te leven de voorwaarden te scheppen voor hen die na ons komen. Een taak voor ons in de eeuwigheid. Het licht schijnt in de duisternis,als wij dat willen ontsteken want het komt op U aan.

 

Tenslotte wil ik u dit gedicht meegeven:

 

Uit nutteloze noodzaak


laten we eerlijk zijn
als beest zijn we totaal mislukt
ik zie mij daar nog staan
op een savanne zonder uitvlucht
in het volle licht der dieren
een mond vol tanden
heel modern, heel gênant

 

vandaag
regerend met draadloze hand
in een land gebouwd onder water
met mensenrechten, koffieapparaten
en de natuur in mooie reservaten
voel ik nog steeds diezelfde angst
niets is veranderd
weids en eindeloos gaapt de savanne

 

welkom in mijn hoofd
het is een doos vol zwarte gaten
alles wat een mens verzint
zuigt zich erin: zeppelins, vakanties
zelfhaat, witte fosfor, dildo's, anorexia
dubbelvla, dwangneuroses, shalali shalala
of de lol om een gemarteld paard
ook de dingen die niemand wil verzinnen
zitten erin: gewoon, voor de heb

ik draag een hoofd als een handicap
zwellend, kolkend, almaar zwellend
altijd vloed, nooit nog eb

geen vijand bleef er voor mij over
leeuw, griep, pest, slang
zelfs de dood slaapt aan een leiband

maar diep van binnen
in mijn grote grabbelton
daar vond ik er nog één
splinternieuw, zelfverzonnen
scharrelt een vijand
op de bodem van mijn vrije tijd
zinloos in de rondte
ik noem hem: Eeuwigheid

louter de gelegenheid
erover na te denken
volstond om hem te scheppen

gevangen zit ik als een rat
in mijn hobby, dag en nacht
en ik ben bang

ik was van plan een heldenstuk te schrijven
over het belang van kunst

van koninklijke kunst
haar grote nut
maar mijn blad zweeg indrukwekkend
en alle muzen weken

de waarheid is
zij heeft geen nut
kunst is maar een bijproduct
zij is niet nodig om te kunnen
eten, vrijen, ademen

maar één ding kan ze
zij kan vechten waar ik vlucht
zij kan, met haar ene giftand
zij het voor een kort moment
mij redden van de eeuwigheid
en dit verlammend gat verlammen

bij een vijand zonder handvat
helpt alleen het nutteloze
dan helpt kerven in een bot
stieren schetsen in een grot
dan helpt de nachtwacht
en het zingen bij een dode

uit nutteloze noodzaak
schiep kunst de mens

en als ik verstijf op mijn savanne
van bedreigend vrije tijd
als ik mijzelf vervloek
om dit uitzicht zonder eind
als mijn kop breekt van het licht
dan huil ik niet, dan schreeuw ik niet
ik hang mijzelf niet op

maar zet mijn voeten naast elkaar

leg mijn rechterhand

hier op mijn hart

en zie U aan,

in Uw gezicht.

 

Ik vraag u slechts:

 

laat dit de lente zijn

van koninklijke kunst.

 

Achtbare meester ik hoop hiermede aan uw verzoek te hebben voldaan.


Redenaar van Loge De Waare Broedertrouw,
Gerrit van Rossem.
 

* met dank aan Ramsey Nassr

 

Wij zijn hier bijeen, de oude plichten indachtig.

Geplaatst 1 apr. 2012 02:09 door Jeroen Ketelaars   [ 1 apr. 2012 02:10 bijgewerkt ]

De Oude Plichten

 

Een bouwstuk van Aat de Jong voor de Achtbare Loge

De Waare Broedertrouw, nr. 32 in Gouda

 
 
 
 
 
 
Deze middag zal mijn bouwstuk betrekking hebben op De Oude Plichten. Ik heb die als “kapstok” gebruikt om daarbij ook iets te duiden over de totstandkoming ervan en de plaats die ze innemen in de huidige vrijmetselarij.
 

Maar eerst even een klein intern onderzoek: Wie van jullie heeft een exemplaar van de Oude Plichten in bezit om die te raadplegen of wie van jullie heeft ze zodanig in het geheugen opgeslagen dat de inhoud altijd paraat is?

“Wij zijn hier bijeen, de Oude Plichten indachtig”. Dat wordt ons keer op keer voorgehouden, dus blijkbaar is het vanzelfsprekend dat we precies weten wat er van ons wordt verwacht. Maar misschien is de kennis erover een beetje weggezakt en in dat verband heb ik gemeend het onderwerp te gebruiken voor mijn bouwstuk.

Als de Oude Plichten ter sprake komen is het voor een juist perspectief goed om iets over de ontwikkeling van de V\M\ in de loop der tijd op een rijtje te zetten en ook de relatie tussen de Landmerken, De Oude plichten (Old Charges) en de Aloude Regels en Plichten (Antient Charges and Regulations)  te verduidelijken. Als bronnen daarbij heb ik The Freeemasons Guide and Compendium van Bernard E. Jones (Harrap 1950) gebruikt en artikelen uit Thot en Wikipedia.

Ontstaansgeschiedenis.

De voorgeschiedenis van de vrijmetselarij is speculatief. Er is de band met de oorspronkelijk Engelse en Schotse steenhouwersgilden die met afspraken en gebaren hun beroep afschermden. Diezelfde steenhouwers hanteerden al de verwijzing naar de tempel van Salomo of de ark van Noach. Later hebben mensen van buiten het beroep die gebruiken overgenomen en aangevuld met bijdragen uit het christendom, het jodendom en het soefisme. Slechts vanaf het begin van de 18e eeuw, en in elk geval vanaf 1717 kan enige objectiviteit in de geschiedenis van de vrijmetselarij worden geschetst.

Aan het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw ontstaat in Engeland en Schotland een aantal verenigingen die regelmatig samenkomen om te vergaderen. Vooral in Schotland was dit populair omdat de Schotse reformatie elke vorm van gezelligheid en verenigingsleven uit de godsdienstbeleving verbannen had. Deze vergaderingen hebben enerzijds een sociaal en gezellig karakter. Anderzijds hebben deze vergaderingen een inhoudelijk of filosofisch karakter. Men komt samen rond een bepaald inhoudelijk thema. Burgers en notabelen met veel tijd en geld wensen zich te profileren en te ontplooien.

Deze samenkomsten worden tevens gekoppeld aan vormelijke elementen. Er wordt gebruikt gemaakt van vormen die verwijzen naar de architecten en steenhouwerssymboliek, zoals die in de middeleeuwen was gegroeid. Dit noemt men speculatieve vrijmetselarij. Dat deze speculatieve vrijmetselarij in continuïteit staat met de middeleeuwse bouwgilden wordt betwist omdat de draad zeer dun is en regelmatig onderbroken. Voorstanders van deze stelling beroepen zich op het bestaan van Schotse documenten, die dit afdoende zouden aantonen. Tegenstanders hebben kritische opmerkingen over de bewijswaarde en doorwerking van deze spaarzame documenten. Speculaties door pseudohistorici zijn aan de orde van de dag. In het beste geval kan men slechts voor Schotland stellen dat de speculatieve vrijmetselarij voortkomt uit de operatieve vrijmetselarij.

Vrij algemeen wordt als “officiële” start van de heden daagse V\M\het jaar 1717 genomen, toen in Londen een viertal loges besloten één obediëntie te vormen. In een recent artikel in Thot wijst Jan den Ouden, voormalig lid van deze loge, erop dat er over die gebeurtenis geen enkel schriftelijk bewijs, ooggetuigenverslag of onafhankelijke bron bestaat. Of het dus echt zo is geweest is niet zeker, slechts aannemelijk.

De Brit James Anderson stelt in 1723 de grondregels vast in zijn boek The Constitutions of Freemasonry. Deze grondregels zijn gebaseerd op de zogenaamde Old Charges (de Oude Plichten) en zijn compilatie van oude constituties en regels van operatieve loges. De constitutie was aldus een versmelting van de Gotische constitutie uit 1390, de Cooke-constitutie uit 1410, de Nigo Jones-constitutie uit 1607 en de Wood-constitutie uit 1610. Deze zijn razendsnel de bijbel van de vrijmetselarij geworden.

Vanuit Londen verspreidt de vrijmetselarij zich vervolgens binnen het Britse rijk, Engeland, Wales, Schotland en Ierland en de kolonies, in het bijzonder de Verenigde Staten. Dit wordt ook wel de Angelsaksische Vrijmetselarij genoemd, in tegenstelling tot de zogenoemde Continentale Vrijmetselarij die zich voornamelijk via Frankrijk over Europa verspreidde. De eerste groep verwijt de tweede irregulier te zijn wat door de continentalen met klem wordt ontkend. Hoe het ook zij, cultuurhistorisch is de grote lijn dat de reguliere vrijmetselarij groeide en toonaangevend is in landen waar het protestantisme sinds de reformatie van 1517 maatschappelijk ingebed is. De irreguliere vrijmetselarij groeide vooral in landen waar het katholicisme het cultuurpatroon beinvloedde.

Sinds het ontstaan van de vrijmetselarij in 1717 en de hedendaagse praktijken hebben er zich bijna driehonderd jaar geschiedenis afgespeeld. Tot op de dag van vandaag zijn er verschillen in vorm en inhoud tussen de beide stromingen. De vraag die daarbij rijst is of de hardliners van beide tradities elkaar voldoende herkennen indien zij elkaars bijeenkomsten zouden bezoeken, met andere woorden: is er wel zoiets als een wereldomvattende broederschap die dezelfde beginselen nastreven?

Reguliere vrijmetselarij.

Op historische gronden noemt de United Grand Lodge of England zich de Motherlodge van alle vrijmetselaars obediënties ter wereld. Feit is dat, samen met de Grand Lodge of Ireland en de Grand Lodge of Scotland, de Britse vrijmetselarij een groot gezag heeft in de hele wereld. Voor de regulieren een vanzelfsprekendheid, voor de irregulieren een onterechte grootheidswaanzin.

Een loge is regulier als ze rechtstreeks erkend wordt door de UGLE of wordt erkend door een obediëntie die erkend is door de UGLE. Na de Tweede Wereldoorlog gaat er echter ook van de Grootloges in de VS een groot gezag uit. Elke staat kent daar een zelfstandige Grootloge.

De UGLE stelt 8 voorwaarden aan regulariteit. Die basic priciples of grand lodge recognition zijn in 1921 vastgelegd. De Amerikaans vrijmetselarij kent 5 voorwaarden.  In de VS is niets dwingend voorgeschreven omtrent de OBDH, het tonen van de Drie Grote Lichten en het exclusieve lidmaatschap voor mannen. Beiden echter noemen nadrukkelijk het naleven van de Landmerken en de Oude Plichten.

Volgens de Angelsaksische vrijmetselarij is een obediëntie irregulier als ze niet voldoet aan de genoemde beginselen en niet door een Britse of Amerikaanse Grootloge wordt erkend. Ruwweg 70 tot 80 % van de internationale vrijmetselarij is aldus regulier en komt in hoofdzaak voor in de Britse eilanden, de Germaanse en Scandinavische landen in Europa, Noord Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en de voormalige Britse koloniën in Afrika, Amerika, Azië en Oceanië.

Irregulariteit.

De irreguliere obediënties stellen dat beperkende voorwaarden niet de essentie van de vrijmetselarij bevatten, en voorkomen uit een historische mystificatie van de vrijmetselarij door de Angelsaksische vrijmetselarij, die haar invloedrijke rol als bron en oorsprong van de vrijmetselarij niet wil verliezen. Zelf verkiezen ze zichzelf als a-dogmatische, liberale, Romaanse of Latijnse vrijmetselarij te benoemen. Zo weigert het a-dogmatische smaldeel van de Latijnse vrijmetselarij officieel volgende kenmerken in haar werking te integreren:

·    het in het teken stellen van de activiteiten van een of ander opperwezen, die Opperbouwmeester van het Heelal (Great Architect of the Universe) wordt genoemd, met het monotheïsme als afbakeningsgrens,

·    het gebruik van het Boek der Heilige Wet,

·    het verbod op politieke en religieuze discussies tussen de leden tijdens de activiteiten.

Qua vorm worden deze elementen weliswaar overgenomen en gedeeld, maar inhoudelijk worden ze ontdaan van hun traditionele interpretaties. Zodoende sluiten zij wel dicht aan bij de Britse en Amerikaanse opvatting over regulariteit, maar inhoudelijk dicht aan bij de a-dogmatische opvattingen van de irreguliere vrijmetselarij.

20 tot 30 % van de internationale vrijmetselarij is als irregulier te bestempelen. Zij zijn toonaangevend in de Romaanse landen van het Europese continent, Zuid-Amerika en de voormalige Franse koloniën in Afrika, Amerika, Azië en Oceanië.

Slechts in enkele gebieden is de richtingenstrijd nog niet beslecht, en wordt in volle hevigheid gevoerd. Dit zijn voornamelijk de Germaanse landen en hun culturele invloedsgebieden in Oost-Europa, en de Slavische landen die op de grens liggen tussen beide cultuurtradities, inclusief Rusland.

Nog steeds zijn er gebieden waar de vrijmetselarij geen voet aan wal krijgt. Dit is voornamelijk zo in gebieden die leven onder één of andere vorm van totalitair bestuur, in casu religieus totalitarisme in islamitische gebieden, en maoïstisch totalitarisme in China en haar kolonies. Hierop bestaan uitzonderingen, zoals Cuba. 

De Landmerken.

Er bestaan Middeleeuwse handschriften met reglementen van bouwvakkersgilden uit de 15e, 16e en 17e eeuw. Aan het begin van de 18e eeuw ontstaat de speculatieve vrijmetselarij, die de vormen van deze middeleeuwse operatieve vrijmetselaars overneemt. Deze vormen werden door James Anderson gedistilleerd uit deze manuscripten, de zogenaamde Old Charges. Deze zijn, samen met the Ancient Landmarks en de Antient Charges and Regulations , terug te vinden in zijn boek, the Constitution of the Free-Masons. James Anderson was een dominee behorende tot de kerk van Schotland.In 1721 kreeg hij de opdracht al de oude en versnipperde constituties te verzamelen en te verwerken tot een geheel. De eerste publicatie van de "The Old Charges" en van de constitutie dateert van 1723.Er was toen sprake van een echte codificatiebeweging, die een sterke invloed op de rest van de maçonnieke wereld zou krijgen..Hij verwerkte nog een tweede editie in 1728.

 "The Old Charges" stonden dus onder redactie van James Anderson maar de echte ideeën waren afkomstig van J. Théophile Désaguliers (1683 - 1744).

De beginselenverklaringen die tegenwoordig in de diverse vrijmetselaarsorganisaties worden vastgesteld zijn hier qua denkbeelden op terug te voeren. Teksten worden in de loop der tijd aangepast aan taalgebruik, opvattingen en nieuwe interpretaties.

Bij regulariteit hoort dus in elk geval de naleving van de Landmerken en de Oude Plichten.

Het begrip landmerk is van bijbelse oorsprong en verwijst naar het begrip grenssteen.

De grenssteen bepaalt de grenzen van een territorium, en bepaalt dus ook automatisch wat niet tot het territorium behoort. Vaste grenzen vermijden conflicten. Het is de erfenis van onze voorvaderen. Grenzen werden ook vastgesteld door de eerste vrijmetselaars. Zij bakenen de grenzen af van de vrijmetselarij, zoals deze oorspronkelijk was geconcipieerd. De toepassing en interpretatie hiervan verandert door de tijd. De kernvraag is in hoeverre nieuwe inzichten van nieuwe generaties kunnen blijven passen in het historische vastgelegde kader. Hieromtrent bestaat binnen de vrijmetselarij discussie en onenigheid.

Het begrip landmerken wordt genoemd in de General Regulations, een onderdeel van de the Constitutions of the Free-Masons van James Anderson van 1723. Daar staat:”Every Annual Grand Lodge has an inherent power and Authority to make new Regulations or to alter these, for the real benefits of this Ancient Fraternity; provided always that the old Land-Marks be carefully preserved.” De definitie werd toen echter niet gegeven. Velen voelden zich geroepen deze definitie aan te reiken.

Hiertoe werd in 1853 een poging ondernomen door Dr. Albert Mackey in zijn boek Jurisprudence of Freemasonry. Hij stelt drie karakteristieken voorop, opdat een beginsel als landmerk zou kunnen worden erkend, namelijk: 1: notional immemorial antiquity de oorsprong is niet vast te stellen omdat die in een zo ver vergeten verleden ligt, 2: universaliteit, altijd en overal werd het toegepast, zonder uitzondering in tijd en ruimte en 3: absolute irrevocabiliteit (onintrekbaarheid), bij verwijdering zou de vrijmetselarij niet meer de vrijmetselarij zijn want een wezenskenmerk zou ontbreken. Op basis hiervan kon hij 25 landmerken vaststellen. Andere auteurs komen tot andere aantallen. Stof tot discussie genoeg dus en het aantal opvattingen is niet meer te tellen.

Albert Pike schreef in 1924:” There is no common agreement in regard to what are and what are not 'Landmarks.' That has never been definitely settled”.

In 1950 kwam de Commission on Information for Recognition of the Conference of Grand Masters of Masons in North America tot slechts drie landmerken, namelijk: 1: monotheïsme, of het onveranderbare en blijvende geloof in één God, 2: de aanwezigheid van een kopie van De Heilige Wet in de logetempel tijdens de werkzaamheden en 3:  het verbod op discussie van politieke of religieuze onderwerpen.

Let wel, hiermee worden weer 2 van de 3 voorwaarden van regulariteit die in de VS daar niet worden genoemd via de achterdeur toch binnen gehaald.

De Landmerken (Landmarks) zijn belangrijker dan de Oude Plichten (Old Charges). De Oude Plichten zijn belangrijker dan de Aloude Plichten en Regels (Antient Charges and Regulations). De gemoederen worden heftig bewogen binnen de vrijmetselarij hieromtrent. Het is een aangelegenheid voor specialisten binnen de vrijmetselarij. 

De Oude Plichten.

De Oude Plichten is een verzamelnaam gegeven aan een aantal middeleeuwse manuscripten, en bevatten historische reglementen van de operatieve bouwvakkersgilden. Ze geven inzicht in de gewoonten en gebruiken van de middeleeuwse operatieve bouwers. Ze zijn beslist niet identiek aan wat we nu de Oude Plichten noemen, maar bevatten wel elementen die daaruit overgenomen zijn. Verschillen zijn opgetreden door onder meer fouten en al dan niet toevallig ingevoerde wijzigingen van degene die een ouder exemplaar kopieerde. Dat ging in die tijd uiteraard nog met de hand omdat de boekdrukkunst nog niet bestond.

Er zijn zo een 131 manuscripten gevonden, waarvan het oudste, het Regius manuscript, dateert van 1389, het Cooke manuscript van het begin van de 15e eeuw. Het eerste gedrukte manuscript van een versie van de OLD Charges is het Plot MS uit 1686.

Veel oude versies bestonden uit meters lange en slechts zo’n 10 cm hoge perkamentrollen.

Her Regius MS is op rijm en is een klein boekje van 5 bij 4 inches op vellum (mooie kwaliteit kalfsperkament) en gebonden in Russisch leer. Het Cooke MS is wat kleiner. Beide bevinden zich in het British Museum. Facsimile’s zijnonder meer uitgegeven door Q.C. Lodge.

Ook deze oudste geschriften hebben uiteraard een bron gehad, maar die kennen we niet omdat dat mondelinge overleveringen moeten zijn geweest die mogelijk nog eeuwen ouder zijn. Het Regius Poem bevat in formatie omtrent handelsgewoonten terwijl het Cooke MS on meer vertelt over traditie en historie.

Er moeten nog veel andere verloren gegane geschriften zijn geweest. Zo is bekend dat in de collectie van de London Company in 1676 een werk, het “Book of the Constitutions of the Accepted Masons” aanwezig was dat daarna verdwenen is.

Het kan heel goed zijn dat belangrijke manuscripten door Broeders zijn verbrand om te voorkomen dat zij in verkeerde handen zouden vallen.

De oude manuscripten bevatten reglementen en voorschriften die moesten worden nageleefd. Deze zijn naar de vorm door de vrijmetselarij gedeeltelijk overgenomen. De oude plichten  zoals we ze nu kennen zijn enige jaren na het ontstaan van de reguliere vrijmetselarij in 1717 door James Anderson opgesteld, waarna deze als grondslag zouden gaan dienen voor de werkwijze der loges en die door de Engelse Grootloge in 1723 werden aanvaard. Andersons 'Oude Plichten' waren gebaseerd op leefregels, werkwijze en plichten van oude bouwgilden, die in besloten gezelschappen waren georganiseerd.

Een merkwaardige verwijzing is te vinden in het Landsdowne MS (circa 1600). Dit verwijst naar Karel van Martel, een belangrijk historisch figuur in de Franse geschiedenis. Hij versloeg in het jaat 732 bij Poitiers de Saracenen en voorkwam zo dat Frankrijk onder Moors juk zou komen. Zo werd hij de “redder van het Cristendom”. Hij hielp een koning op de Franse troon, maar was zelf eigenlijk als Hertog van Frankrijk de sterke figuur. Zijn zoon was Karel de Grote.

Het Lansdowne MS zegt dat hij masons te werk stelde en hen plichten en goede manieren oplegde. Hij gaf hen de gelegenheid bijeenkomsten te houden en behandelde hen goed.

Het Franse martel betekent hamer als de werktuigen die door steenhouwers wordt gebruikt. Er wordt  nog steeds gediscussieerd of een en ander als folklore kan worden afgedaan of dat er toch een meer dan toevallige relatie bestaat met de ontwikkeling van de vrijmetselarij.

In de eerste Engelse loges werden de Oude Plichten bij plechtige gelegenheden en feesten voorgelezen, zoals voorheen ook in de operatieve loges werd gedaan. Deze oude plichten worden ingeleid met een aanroeping van de Drievuldigheid. Voorts bevatten zij een legendarische geschiedenis van de vrijmetselarij alsook een opsomming van morele en professionele voorschriften.

Het gebruik van de Oude Plichten was niet beperkt tot de Engelse loges. In 1670 werd in de Schotse loge in Aberdeen de toen bestaande versie opgelezen bij de aanneming van leerlingen en vermoedelijk ging dat in andere Schotse loges op dezelfde manier.

Antient Charges and Regulations

Dit is een lijst van voorschriften die zijn opgenomen in The Book of Constitutions of the United Grand Logde of England. Voorbeelden zijn: het bestaan van slechts drie graden van leerling, gezel en meester.

Beginselverklaring.

De beginselverklaring van het Grootoosten der Nederlanden bevat een combinatie van eerdergenoemde beginselen.

De strekking van de oude plichten.

Wij zijn hier bijeen, de oude plichten indachtig. Laten we dus nog eens de revue laten passeren wat we nu precies indachtig zijn. Ik zal dus kort weergeven, al is het maar bij wijze van instructie, wat de oude  plichten behelzen.

1.   Betreffende God en de Godsdienst

Het begint al goed. In de allereerste zin staat dat de maçon de zedewetten volgt en in geen geval een stompzinnige Godloochenaar noch een ongodsdienstige libertijn is. Hiermee is de toon gezet .

2.   De Burgerlijke Overheid

De maçon is een vreedzaam onderdaan van het burgerlijk gezag van het land waar hij woont en werkt. Hij smeedt dus geen complotten en samenzweringen en gedraagt zich plichtmatig. Als een maçon een rebel is tegen de staat moeten zijn broeders medelijden met hem hebben maar hij kan niet van de Loge worden uitgesloten.

3.   De Loge

Elke Broeder onderwerpt zich aan de regels en verordeningen van zijn eigen loge. Geen lid mag afwezig zijn, tenzij de Achtbare Meester of de Opzieners gebleken is dat hij noodzakelijk verhinderd is. Om toegelaten te worden moet men een goede, trouwe man zijn, vrij zijn geboren (er was in die tijd nog slavernij!), volwassen en niet van onzedelijke of kwalijk befaamde naam zijn.

4.   Meesters, opzieners, gezellen en leerlingen

Een meester of opziener wordt alleen verkozen vanwege persoonlijke verdienste en niet wegens ouderdom. Een meester mag geen leerling aannemen waarvoor hij geen voldoende arbeid heeft of die een verminking of lichaamsgebrek heeft die hem ongeschikt maakt om de Kunst te leren.

Verder wordt aangegeven welke functies men heeft te vervullen alvorens opziener, meester of zelfs Grootmeester te kunnen worden. Ook al is men van adellijke geboorte, een uitstekend geleerde of met andere kwalificaties voorzien, dan nog geldt de genoemde volgorde.

5.   De arbeid

Het bekwaamste lid van de loge wordt gekozen tot meester. De leden noemen elkaar broeder en zullen zich in en buiten de loge behoorlijk gedragen.

De meester moet het werk billijk verdelen en zal geen broeder of leerling meer loon geven dan die verdient. De maçons moeten de meester trouw zijn en hun werk eerlijk uitvoeren.

De opziener moet trouw zijn aan de meester en de broeders en toezicht houden op het werk. De broeders zullen hem gehoorzamen.

De broeders moeten onderwezen worden en alle werktuigen die hij gebruikt moeten worden goedgekeurd door de Grootloge.
 

6.   Het gedrag

a.       In de loge

Er zal niet afzonderlijk overlegd of vergaderd worden zonder kennis van de meester. De meester en opzieners worden niet in de rede gevallen. Er worden geen grappen of grollen te berde gebracht als de loge met ernstige zaken bezig is. Er wordt geen onbehoorlijke taal gebezigd en de meester en opzieners ontvangen de verschuldigde achting en worden in ere gehouden.

Een aanklacht tegen een broeder wordt binnen de loge onderzocht en afgehandeld. Nooit zal een zaak voor de rechter gebracht worden zonder dat de loge de onvermijdelijke noodzakelijkheid daarvan heeft vastgesteld.

b.       In de loge na de arbeid.

De broeders mogen zich in onschuldig vermaak verheugen, elkaar onthalen, maar buitensporigheid vermijden. Er wordt niets gedaan dat een ongedwongen verkeer belemmert omdat daarmee de eendracht wordt verstoord en de loffelijke bedoelingen worden verijdeld.

Geen persoonlijke geschillen worden besproken evenmin als aangelegenheden betreffende religie en politiek.

c.       Ontmoetingen buiten de loge zonder aanwezigheid van vreemden.

Men zal elkaar beleefd groeten en elkaar broeder noemen.

d.       Ontmoetingen buiten de loge in tegenwoordigheid van vreemden die geen maçon zijn.

Wees voorzichtig in woord en gedrag zodat ook de scherpzinnigste vreemdeling niet in staat is te ontdekken wat niet geschikt is aan hem geopenbaard te worden.

e.       Thuis en in uw omgeving

Handel als een zedelijk en wijs man en maak vooral uw familie, vrienden en buren niet bekend  met aangelegenheden betreffende de loge. Blijf niet te laat en te lang van huis na sluiting van de loge en voorkom zwelgerij en dronkenschap opdat uw gezin niet verwaarloosd of gekrenkt wordt en u zelf niet ongeschikt wordt voor de arbeid.

f.       Tegenover een vreemde broeder

Onderzoek hem omzichtig om niet bedrogen te worden door e en onwetende valse bedrieger. Als het een trouwe en echte broeder is, dan moet u hem overeenkomstig behandelen. Als hij in nood verkeert moet u hem naar vermogen helpen.

Tenslotte wordt meegedeeld dat de maçon al de voor vermelde plichten in acht moet nemen en de broederlijke liefde moet beoefenen, alle twist, tweedracht, laster en achterklap moet vermijden.

Bij conflicten tussen broeders zullen medebroeders hun bemiddeling aanbieden en de strijdende broeders zullen dat dankbaar aannemen.

De oude plichten worden afgesloten met de woorden:

 

Amen so Mote it be.

The lost symbol, Werkelijkheid of Fictie? Vraag het de Vrijmetselaren.

Geplaatst 14 jan. 2012 01:40 door Jeroen Ketelaars

Inleiding:

 

Als de oude Grieken geheime informatie wenste te bewaren schreven ze dat in een kleitablet en braken dat in stukken om de afzonderlijke stukken op verschillende plaatsen te bewaren. Zo’n kleitablet noemde ze een symbolon.

Zie hier de verklaring voor de titel van het boek waarover we vanavond met elkaar van gedachte zullen wisselen en waarvan u een stukje van de kaft achter mij ziet.

 

De hoofdpersoon in het boek, Harvard professor Robert Langdon heeft van zijn vriend en vrijmetselaar van de 33e graad, Peter Solomon immers zo’n stukje van de puzzle in bewaring gekregen, wel stukje door de kwade genius van het boek Malakh gewild is om zijn transformatie compleet te kunnen maken.

 

Dan Brown bepleit vervolgens in het meer dan 500 pagina’s en 133 hoofdstukken tellende boek, dat de vrijmetselarij de sleutel heeft tot de bron van onmetelijke en geheime kennis, die zal leiden tot absolute wereld macht.

 

Wat veel van de tientallen miljoenen lezers vergeten, is dat The Lost Symbol een roman is waarin fictie en werkelijkheid door elkaar lopen. Rond het boek is dan ook een ongekende discussie ontstaan over fictie en werkelijkheid rond de door Brown opgevoerde en door hem geadopteerde ‘waarheden’. Het is dan ook aan de lezer om werkelijkheid en fictie te scheiden, maar wil die dat? Raadpleegt die verantwoorde bronnen? Of neemt die zoals velen aan, dat wat op internet te vinden is waar is? Is de lezer bereid kritisch te zijn of leest die een mooi verhaal en accepteert hij dat het slechts een roman is? Helaas blijken velen de verhalen van Brown voor waarheid aan te nemen.

 

Het plaatje achter mij vond ik met google toen ik de woorden ‘The Lost Symbol’ intoetste. Het deel uit de echte kaft is dit !

 

 
Terug naar het eerste plaatje.
 

Als je dus niet kritisch kijkt en alles wat je op internet vindt als waar aanneemt, wordt er gespeeld met je onderbewust zijn. Er staat immers een symbool en de woorden ondersteunen dat symbool. Het symbool is voor sommige van u bekend, dus klopt het plaatje en was er geen aanleiding tot twijfel, totdat ik er over begon! Het symbool is gemaakt door de popartiest Prince. Op zijn 35e verjaardag wenste hij niet langer op de naam Prince te reageren en koos hij een onuitspreekbaar symbool als naam.  Als vervanging voor het onuitspreekbare symbool noemde men hem dikwijls The Artist Formerly Known as Prince , of kortweg TAFKAP. Een andere bijnaam was The Symbol. Volgens een Prince-fansite bevat het symbool de mannelijke en vrouwelijke tekens tezamen met het alchemiesymbool voor zeepsteen. Genoeg stof om te verdedigen dat Prince dus wel een vrijmetselaar moet zijn,  . . toch?

 

Maar wat is waarheid? Het plaatje achter mij is namelijk wel degelijk te verdedigen als waarheid, immers Prince bestaat en belichaamde The Symbol en is naar mening van velen al decenia volslagen “Lost”, dus . . . . het is maar welk perspectief je hanteert?

 

In het boek vinden dus voortdurend van dit soort verbindingen tussen werkelijkheid en fictie plaats, en dat heeft Brown wel heel kunstig gedaan, maar Brown verkondigt ook daadwerkelijk waarheden die dat niet zijn.

 

Het verhaal:

 

Robert Langdon de hoofdpersoon en docent Religieuze Symboliek aan de Harvard University in Cambridge, Massachusetts, wordt onder valse voorwendselen naar Washington gelokt: het epicentrum van de wereldmacht en de stad met de grootste verborgen geheimen uit de geschiedenis. Na aankomst in het Capitool krijgt Langdon een telefoontje. Peter Solomon, vriend van Peter en vooraanstaand lid van de vrijmetselarij, lid van de Schotse Ritus in de 33ste graad, is ontvoerd. Hij verkeert in levensgevaar. Solomons kidnapper wil dat Langdon de codes van het mysterieuze genootschap dat vrijmetselarij heet ontcijfert.  De ontvoerder is ervan overtuigd dat – als hij  ‘Het’ gevonden heeft, hij een mysterieuze kracht zal krijgen die hem de wereld aan zij voeten zal doen liggen. Langdon kan niet anders dan het spel meespelen. Hij krijgt hulp van Katherine, Solomons zus, een vooraanstaand wetenschapper die de kracht van het menselijk denken bestudeert.  Natuurlijk is Brown op de hoogte van de Secret van Rhonda Byrne en zo ook van het meest recente bewustzijns-onderzoek zoals dat beschreven wordt door Lynne McTaggart.  Brown zal er waarschijnlijk geen vermoeden van hebben, maar hij zit gevaarlijk dicht in de buurt van het gedachtegoed van de Tempelridders.  Nu is Brown ook wel wat aan zij hoofdpersoon verplicht. Langdon heeft een aantal specialismen waaronder de iconografie der klassieken, de symbolen van de voor-christelijke cultuur, de godinnenkunst en de ontcijfering van oude cijfercodes. Langdon is bezig om zijn nieuwste manuscript af te ronden over de symboliek van het Verloren Heilig Vrouwelijke, een onderzoek naar moderne religieuze iconografie en haar oorspong in de oude godinnencultus. Knap gevonden in een tijd waarin de belangstelling voor Kabbalah hoogtij viert.  Lukt het Robert Langdon en Katherine Solomon hen om de geheimen van Washington te ontraadselen? En kan die kennis het leven van Peter Solomon en het lot van de wereld redden?  En ding overschat Dan Brown. Het lot van de wereld zou beïnvloed worden door het bekendmaken van documenten en films over de inwijdingen in diverse graden in de vrijmetselarij. Echter in Nederland zijn ze allemaal bij boekhandel Stelling of op internet tot in detail vindbaar. Geen haan die er naar kraait, aldus (bron:) van Warven .

 

Alle geheimzinnigheid, complotten en actie, maken het boek volgens velen tot een echte pageturner, maar ook aanleiding tot heel veel speculatie. Ikzelf vind het boek in die zin een pageturner, dat je stukken vooral wilt overslaan, het is namelijk nogal gekunsteld.

Zéér knap gekunsteld, dat dan weer wel.

 

Ik heb mij er doorheen geworsteld om een aantal  redenen.

1.    mijn probleem is dat ik beweringen niet zomaar aanneem en het boek zonder het maken van aantekeningen en een hoop uitzoekwerk niet uitgelezen krijg.

2.    Het opsommen van heel veel onderwerpen feiten en fictie waar anderen niet opkomen, wil nog niet zeggen dat het boek goed geschreven is.

De wollige schrijfstijl van Brown roept bij mij een ernstige mate van jeuk op.

Als Brown in zijn boek namelijk een literaire scheet laat kun je 4 hoofdstukken lang lezen over de lengte, de toonhoogte, het geurpallet, de reukkracht, wat anderen van die scheet vinden, de wijze waarop hij werd gelaten, wat de persoon die de scheet liet had gegeten, of hij enige aandrang voelde, de scheet enige tijd heeft opgehouden of met persen heeft laten knetteren of dat hij hem is ontglipt, tot aan wat de herinnering aan de scheet voor volgende generaties zal betekenen en de oorspronkelijke bedoeling was etc. etc.  terwijl je 4 hoofdstukken eerder al doorhad wie voor de scheet verantwoordelijk was en dat die gewoon vreselijk stonk.  Zo kun je dus in het boek van Brown niet gewoon in een helicopter van de CIA meevliegen, maar dwingt hij je te lezen waar dat ding allemaal toe in staat is, tot hoeveel kerosine het ding per uur verbruikt en hoeveel omwentelingen de rotorbladen maken. Weinig ondersteunend aan waar het verhaal op dat moment over gaat.

3.    Ook het veelvuldig herhalen van zinsneden zoals het “langdon liet zijn adem ontsnappen” vind ik niet bijster opwindend en irriteert je al tijdens de tweede maal van de vele variaties waarin je het leest.

 
Een hoop Speculatie!

Aan de vooravond van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van The Lost Symbol werd er volop gespeculeerd in de media over dat symbool. Is dat verloren symbool misschien het achtpuntige kruis dat terug te vinden is in de sleutel van koning Salomo? Zal het de cirkel zijn waarvan het middelpunt nergens is? Of is het verloren symbool de sleutel van Koning Salomo zelf? Volgens de website Argusoog is het verloren symbool en verwijzing naar de Grote Galactische Conjunctie die zich in 2012 – aan het eind der tijden – zal voordoen! Niets is minder waar. De speculanten kwamen allemaal bedrogen uit. Het verloren symbool zal niet meer en niet minder dan dat Ene blijken te zijn dat mens en wereld zin en betekenis geeft. En dan weet u nog niets.

 

Maar wat weten we dan wel!

We weten dat Brown zijn best doet om legitimatie voor zijn verhaal af te dwingen en begint zijn boek zelfs met een pre-proloogop blz 10: FEITEN

"Alle organisaties in dit boek bestaan werkelijk, inclusief de vrijmetselaars, het invisible college, het office of security, het SMSC en het institute for noetic science. Alle rituelen, wetenschap, kunstwerken en monumenten in dit boek bestaan echt."

 

Probeer nu nog maar eens wat anders te vinden! Brown zegt het, dus zal het waar zijn . . .

 

Brown pretendeert voordurend naar wetenschap te verwijzen, maar wat definieert wetenschap? Is de pseudo wetenschap zoals die van het institute for noetic science aanvaardbaar? Vrijmetselaren bestaan, dat klopt. Maar, is vrijmetselarij over de gehele wereld gelijk? Is Politiek overal hetzelfde? Is onderwijs hetzelfde? Is geloof voor iedereen gelijk?  Voetbal, honkbal, korfbal en golf zijn allen balspelen en zo zijn verschillende vormen van vrijmetselarij allemaal zeg maar balspelen, maar toch echt verschillend. Brown gooit ze echter op één hoop.

 

Ook het plaatsen van het woord vrijmetselaren in de zin: Alle organisaties in dit boek bestaan werkelijk, inclusief de vrijmetselaars, het invisible college, etc. suggereert alsof zij met elkaar te maken hebben, hetgeen handig is als je een boek schrijft, maar in werkelijkheid niets met de werkelijkheid te maken heeft. Als Brown een andere reeks in zijn boek had genoemd was het allemaal een stuk minder interessant . . . Alle organisaties in dit boek bestaan echt, waaronder de Mac Donalds, korfbalvereniging Groen-Geel, de gemeenten Gouda en Alkmaar waar kaasmarktrituelen plaatsvinden én de vrijmetselaars. Tja, . . . context maakt verhaal.

 

Zo bestáán dus echt de Piramides. . .en al veel langer dan de vrijmetselaren sinds 1717.

Brown beschrijft het enorme belang voor de vrijmetselarij van zo’n piramide vol symbolen, en waarvan de deksteen als verloren symbolon in het bezit is van Langdon.

 

De titel van de lezing van vanavond is ‘Feiten en fictie, vraag het de vrijmetselaren’ dus laten we dit mysterie eerst maar eens oplossen.

 

De heer Piepenbrock die hier vanavond aanwezig is, is de conservator van het Cultureel Maçonniek Centrum, waar diverse vrijmetselaarsschatten liggen opgeslagen. Hij heeft op dit moment een met symbolen bewerkte piramide bij zich, die hij uiterst voorzichtig aan u zal tonen. Ik vraag u gezien de breekbaarheid van het kleinood de piramide niet aan te raken, maar uw ogen de kost te geven daar u die kans in Nederland niet snel meer zult krijgen. Mijnheer Piepenbrock, als u zo vrij wilt zijn . . .

 

Dat was bijzonder hè?

Een glazen piramide, helemaal bewerkt met symbolen. . . . net als de stenen piramide achter mij. Deze bijzondere piramide, …… heb ik voor 1 euro vijftig in Egypte in een souvenirwinkel gekocht. Het doosje kreeg ik er trouwens gratis bij.

 

En dit is nu hoe u naar mijn inzicht een boek van Dan Brown zou moeten lezen.

Hij is een meester in het opsmukken van een verhaal.  Het klopt dat Piepenbrock de conservator is van het CMC, maar verder heb ik net als Brown een illusie gecreëerd, door te vragen of hij witte handschoenen wilde aantrekken en heel voorzichtig één priamide uit het doosje kon halen om het op een kussentje aan u te tonen en het uiterst voorzichtig in het volle licht op een kubieke steen te plaatsen. Als extra misleiding heb ik een foto van een stenen piramide achter mij, en u denkt wellicht dat het waar is. Ook nep trouwens.

 

En zo lopen feiten en fictie in het boek door elkaar. Er worden verbindingen gemaakt die dan weer wel en dan weer niet bestaan. Er worden feiten opgevoerd die geen feit zijn en er wordt veel aan de fantasie overgelaten. Brown spreekt waarheid via zijn kennis jukebox Robert Langdon. Maar Langdon is geen vrijmetselaar en toch weet Langdon bijna elke vraag aangaande vrijmetselarij te beantwoorden? Ook Dan Brown is geen vrijmetselaar.

 

 

Ik heb hier een kopie van een brief van Brown. Dit keer is de brief echt!

Om de brief nu voor te lezen zou het opstrijken van teveel lof zijn, maar hij is inzichtelijk.

 

Is Brown wetenschappelijk gezien nu wel of geen goede bron om aan te nemen dat wat hij schrijft ook juist is of slechts fictie?

 

Brown openbaart op blz. 11 de woorden: ‘The secret is how to die’, als Malakh in de gedaante van Dr. Christpher Abaddon in de 33e graad wordt ingewijd. Iets dat vooral bij complotdenkers in Amerika schijnbaar erg belangrijk is, want je wil niet weten hoe vaak Brown het over de 33e graad heeft. Het summum in de vrijmetselarij! Als dat zo is, wat is dan de kans dat iemand op 34 jarige leeftijd daar dan wordt toegelaten? En wat is de kans dat dit (volgens mij in het boek vermeldt) al na drie jaar gebeurt?

 

De titel van Grootmeester is de hoogst haalbare positie binnen de vrijmetselarij.

Zeg maar de oppervrijmetselaar, de voorzitter van de KNVB. Onze Grootmeester is niet van de 33e graad, zijn tegenkandidaat was dat wel . . .

Vrijmetselarij is namelijk uitermate democratisch. Leden kiezen hun vertegenwoordigers. We staan ingeschreven bij de kamer van koophandel, de bestuursleden zijn ook daar bekend en u kunt het dus zo opvragen, wat ook geldt voor hoofdbestuursleden. Het lidmaatschap van de 33e graad is binnen het spel van de vrijmetselarij voor sommigen best aantrekkelijk, maar maatschappelijke macht is daar totaal niet aan verbonden. Geloof me, ik ken er een flink aantal en de meeste zijn gewoon met pensioen. Het zegel zoals hier achter mij is te zien, is trouwens met een ring van een vrijmetselaar van de 33e graad helemaal niet te maken.

 

Het interessante is dus dat je heel veel meningen en soms letterlijke ritualen van vrijmetselarij kunt vinden, maar hoe het spel gespeeld wordt ontdek je pas als je lid wordt. Je kunt een toneelscript uit je hoofd leren, maar hoe het toneelstuk daadwerkelijk gespeeld wordt, zie je pas bij de uitvoering in de schouwburg.  Wij verkopen alleen geen kaartjes, want wij zijn namelijk een inwijdingsgenootschap. Dat is alles . . . en dat roept vragen op en veroorzaakt allerlei invulkunde.

 

Een voorbeeld daarvan:

Zo blijkt uit de ontcijfering door Langdon van de eerder door was verborgen onderzijde van de piramide dat daar een Franklin vierkant van orde 8 op staat zoals dat in het kunstwerk Melencolia 1, 1514 van Albrecht Dürer te zien is. Eerst neemt Langdon de oplossing letterlijk op blz 426  en komt later op pagina 468 tot de ontdekking dat hij er symbolen voor in de plaatsmoet zetten en begint opnieuw met de ontcijfering en bedenkt dat rechtsboven in het Noord-Oosten waar de pijl naar het zuiden wijst had moeten beginnen.

Vraag echter een willekeurige vrijmetselaar waar het Noord-Oosten is en hij zal linksboven aanwijzen!

  

Nogmaals de in het boek voor vrijmetselaren zo belangrijke piramide.

 
Eén van de meest hardnekkige ‘bewijzen’ dat vrijmetselaren onmetelijk machtig zijn en dat staat ook in het boek te lezen, zou tot uiting komen in het Amerikaanse 1 dollar biljet. Als je namelijk de piramide in het grootzegel als uitgangspunt neemt voor het vormen van een Davidster of een volgens Brown in de 33e graad gebruikte Salomon’s zegel en je de letters die de punten aanraken op volgorde zet, zal het woord Mason ontstaan.

Dat in de vrijmetselarij wordt echter vooral een pentagram wordt gebruikt (ook wel vijfpuntige ster genaamd). Dit is geen hexagram zoals de davidster of het Salomonzegel dat rond de piramide wordt getekend, echter wordt dat voor het gemak door de complotdenkers vergeten.

Dat dit pentagram met de punt omhoog een al 4000 jaar oud symbool is  voor ‘het goede’ en ondermeer als representatie voor de mens staat (denk aan Michael Angelo) en een voorbeeld van de gulden snede is, is ook iets waaraan voorbij gegaan wordt.  

Je kunt met een pentagram niet de letters raken die je voor het woord ‘mason’ nodig hebt en zo ook niet met de 9 puntige ster zoals die in de 33e graad wordt gebruikt en te zien is op dit draagjuweel.

Het hexagram of salomonzegel wordt wel degelijk als symbool in een andere op de maçonnieke ladder, lagere zijtak dan de 33e graad gebruikt, namelijk bij de graad van ‘het heilig koninklijk gewelf’ waarin een verhaal uit het oude testament wordt uitgediept. Deze graad wordt voornamelijk slechts in Europa beoefend en zal daarom als onderbouwing van het complot niet voor de hand liggen.

 

In het vergaderkamertje voor in het gebouw hangt deze poster aan de muur waarop u alle graden in onderlinge samenhang kunt zien.

 

U merkt dat er niet veel van het complot overblijft, maar dé vraag die we nog steeds niet gesteld hebben als het om de piramide gaat is: ”is de piramide eigenlijk wel een vrijmetselaarssymbool en staat het op het dollarbiljet omdat de toenmalige president vrijmetselaar was”?

 

Omdat Brown op blz 139 en 141 van het boek volhoudt dat de piramide één van de belangrijkste vrijmetselaarssymbolen is, het symbool van ultieme verlichting, en een burcht om de oude mysteriën te beschermen, heeft de Amerikaanse vrijmetselarij een verklaring op hun websites doen uitgaan dat de piramide géén vrijmetselaarssymbool is. Ook in Nederland is de priamide geen vrijmetselaarssymbool.

 
Op de tweede vraag is het antwoord dat er drie commissie waren die het nieuwe dollarbiljet hebben ontworpen.

De noodzaak was de ernstige economische crisis die om een nieuwe dollar vroeg om de inflatie te stoppen en meteen eerlijk geld te creëren net zoals wij na de oorlog het oorlogstientje kennen. In de eerste commissie zat Roosevelt terwijl pas de derde commissie met het ontwerp met de piramide op de proppen kwam en dit vooral vanuit het esoterische gedachtegoed afkomstig is van betrokken ontwerpers.

 

Maar als je er op uit bent om hoe dan ook een connectie met vrijmetselarij te maken, dan is die natuurlijk altijd te maken. Vooral vanuit extreem rechtse hoek, die nog steeds joden, vrijmetselaren en communisten volgens de theorie van het joods complot uit de 2e wereldoorlog aan elkaar gekoppeld willen zien, gebeurt dat nog steeds. Want met een davidster en letters door elkaar husselen  was ‘het bewijs’ te leveren dat een meer dan 250 jaar oude organisatie in 1935 connecties had met de Joodse zondebokken waarop alle onvrede in die tijd op werd afgereageerd. Als je namelijk een totalitair systeem wilt invoeren, is het nodig de problemen van je land te externaliseren op een bevolkingsgroep als gemeenschappelijke vijand en is het handig direct alle vrijdenkers en een vrijdenkend land als Amerika tot bedreiging te verklaren.

 

 
En zo zie tegenwoordig van alles op internet terug om het verhaal maar levend te houden. In het stratenplan van Wahinghton kun je namelijk , zoals we in dit geheime document zien de invloed van de vrijmetselarij terugvinden omdat 5 van de 7 founding fathers vrijmetselaren waren. Geheim en classified door wie?? Nu wordt ineens wél het pentagram gebruikt i.p.v het salomonzegel, tenminste als je het kantelt en draait, want anders pas het niet. Daarnaast zien we hét bewijs, namelijk de passer en winkelhaak! (met een beetje fantasie) En op de kop van de passer is er nog een pentagram te tekenen, maar wel met de punt naar beneden en dat is dus het ultieme bewijs dat vrijmetselarij verdorven is, want een pentagram met de punt naar beneden is het teken van “the beast” ofwel Satan!
 

Als laatste wil ik inbrengen dat het dollarcomplot in Europa en met name Engeland waar de bakermat van de vrijmetselarij ligt natuurlijk helemaal niet opgaat gezien de muntsoort.

 

Maar !! Ik zal u nu inzicht geven in wie er in werkelijkheid achter de macht in America en de ‘new World order’ zit.  Als u namelijk een 20 dollarbiljet neemt.

 

 

En u vouwt het op deze wijze, ….. dan

 
En dat is echt géén toeval hoor, want als je het op een ander wijze vouwt . . dan zie je de twin towers in vuur en vlam.
 

 

U begrijpt het al, als je onzin wilt dan kun je het krijgen.

Laten we verder gaan met het boek.

 

Het verloren woord: het verbum significatum

Een ander belangrijk thema in het boek is ‘het verloren woord’ c.q. het symbool dat dit verloren woord aanduidt en dat Malakh als vervolmaking van zijn getatoeëerde lichaam op de kruin van zijn hoofd wil aanbrengen.
 

 
De man zal er ongeveer zo moeten uitzien in de film waarvan het script momenteel door Brown wordt bewerkt. Hij maakt daarbij goed gebruik van de symboliek zoals die door moordadige gangs in Amerika op hun lijven wordt getatoeerd, waarmee ‘het kwaad’ in de beleving van de lezer aan de persoon van Malakh wordt gekoppeld.
 
 
Op pagina 486 stelt Brown dat voor de maçonnieke voorvaderen van Amerika ‘Het woord’ de bijbel was geweest . . .  Het is duidelijk dat in die tijd het christendom floreerde en daarmee dus van invloed is geweest op de vrijmetselarij, zoals dat later ook gold voor de periode van ‘de verlichting’ de theosofie of het humanisme. Want ook vrijmetselaren, gelooft u het of niet, zijn net mensen die in een bepaalde tijdsgeest opgroeien en nadenken over wat er op dat moment in de samenleving gebeurt. In zijn boek, zie je dat Brown ‘het woord’ of het ‘verloren woord’ letterlijk invult.

De Bijbel staat immers bekend als ‘het woord Gods’ en als je zoals Brown vanuit het deoistische denkpatroon van het’ intelligent design’ de wereld bekijkt, zullen er geen andere opties zijn.

 

Vanuit de orthodoxe Joodse traditie bezien, is ‘het woord’ de naam van God, . .  Jahweh.

Deze naam is voor hen zó heilig dat het oudsher slechts 1x per jaar door de Hoge Priester werd uitgesproken. Na het verloren gaan van de 2e tempel van Salomo was ook de uitspraak van dat woord verloren gegaan en werd de naam verder nog slechts met de letters JHWH aangeduid.

 

In de vrijmetselarij wordt het werken aan je zelf om ‘een beter mens’ te worden vaak vergeleken met de bouw aan de tempel der humaniteit, ook wel de bouw aan de tempel van Salomo genoemd. Niet geheel toevallig dat ‘de grote 33e graad vrijmetselaar’ en vriend van Robert Langdon dus Peter Solomon heet.

 

De suggestie dat het verloren woord het geheim van de vrijmetselarij zou betreffen is door Brown hiermee snel gemaakt en zo ook de verbinding tussen de openingszin van het boek “Hoe te sterven is het geheim’ en de scène aan het eind van het boek waar het sterven om te kunnen verrijzen door Malakh letterlijk wordt genomen.

Dit ondanks de voor vrijmetselaren metaforische symboliek van ‘een beter mens worden’ of het verloren gaan van het oude woord om in de othodoxe Joodse traditie iets nieuws te kunnen aannemen.  Het oude afleggen voor iets nieuws. Sterven om een nieuw mens te kunnen worden. Wellicht begrijpt u nu waar de verhalen vandaan komen dat er bij de vrijmetselarij elk jaar iemand moet sterven. Brown beschrijft die moord op blz 433.

 

Je zou ook een andere gedachte kunnen volgen, die wel de ondogmatische vrijmetselarij kenmerkt.  Het Griekse woord `logos` is een woord met verschillende betekenissen, maar wordt meestal als "woord" vertaald; andere betekenissen zijn onder meer `gedachte`, `taal`, `rede`, `principe`, `leerstelling` licht of `logica`. De Symboliek van ‘het woord’ in de Europese vrijmetselarij’ staat dan ook in de gedachte van ‘de verlichting’.

Deze context maakt dat ‘het woord’ niet als God of het onuitsprekelijk woord van de othodoxe Joden of de Bijbel van de christenen gezien wordt, maar als ‘principe’ invulbaar wordt voor iedereen vanuit welke overtuiging dan ook, waardoor mensen worden samengebracht in plaats van gescheiden, omdat het dogma daarmee is uitgeschakeld.

En dat is bedreigend voor dogmatische systemen en maakt de vrijmetselarij kwetsbaar om in een hoek gezet te worden.

 

Op pagina 491 nuanceert Brown ‘het woord als = aan de bijbel’ door aan te geven dat het woord te lezen valt in ‘alle teksten die de eeuwigheid hebben doorstaan: van Bijbel tot Bhagavad Gita, de Koran en noem ze allemaal maar op… ‘

Hij laat daarmee de exclusiviteit van ‘de bijbel’ als ‘hét woord’ los al ware het dat hij gedurende het verhaal tot een inzicht is gekomen, maar houdt toch vast aan uitsluitend heilige boeken waardoor hij nog steeds voorbij gaat aan dat ‘het woord’ binnen de vrijmetselarij niet de bijbel is, maar staat voor ‘inzicht’ of ‘het licht in de zin van een ieders eigen waarheid’ waardoor het als symbool ook bruikbaar is voor niet gelovigen, agnosten, iets-isten of anders denkenden in het algemeen.

 

Vrijmetselarij een geheim genootschap?

 

In het boek vindt er tijdens een college van Langdon vanaf blz 37 een uitgebreide discussie plaats om de vrijmetselarij als thema in het boek weg te zetten. Ik moet zeggen dat Brown daar op interessante wijze het ‘zijn van de vrijmetselarij’ en de vraagtekens, daarbij geplaatst door de buitenwacht, in een paar bladzijden goed weet neer te zetten.

 

Bijvoorbeeld dat Vrijmetselarij geen religie is omdat het niet aan de drie voorwaarden ‘belofte, geloof en bekering’ voldoet. Ofwel dat Vrijmetselaren geen verlossing beloven, geen dogmatiek kennen, en niet aan ledenwerving doen, sterker nog, dat discussies over religie zijn verboden, zoals op Blz 39 staat te lezen.

 

Over dat Vrijmetselarij geen geheim genootschap is, maar een genootschap met geheimen (blz 39). Robert Langdon geeft het voorbeeld: Stel dat je op de deur van het hoofdkantoor van Coca-cola klopt en je vraagt om het recept van de classic coke, zou je dat dan zomaar krijgen?

 

Over wat het dan wel is op blz 41 namelijk: vrijmetselarij is een moraalsysteem, dat schuil gaat achter allegorie en wordt geïllustreerd door symbolen.

Als een student dan aangeeft dat het klinkt als een enge sekte en dat hij allerlei verhalen gehoord heeft etc . . vertelt Langdon iets over zijn eigen sekte. Langdon vertelt: Ik ben lid van een sekte en op de heidense dag van de zonnegod Ra kniel ik voor een oud martelwerktuig en neem realistische symbolen van vlees en bloed tot mij. Als je dat wat lijkt, moet je op zondag naar de kapel komen, voor het kruisbeeld knielen en ter communie gaan. Langdon vervolgt: Zet jullie vooroordelen op zij vrienden, we zijn allemaal bang voor wat we niet begrijpen.

 

En zo zou ik u nog uren bezig kunnen houden met wat astrologen allemaal wel niet van het boek vinden etc. etc. en als u daarin geïnteresseerd bent heb ik een 34 pagina’s tellend document dat ik u graag toe mail.

 

Als u sowieso op de hoogte gehouden wilt worden van volgende activiteiten of lezingen, laat u dan even uw gegevens bij mij of één van ons achter.

 

Tot besluit:

En zo schrijft Brown op pagina 435: De waarheid zal worden verdraaid, besefte Langdon, zoals altijd als het om vrijmetselaars gaat.

 

En met die gedachte wens ik deze lezing te beëindigen.
 
Jeroen Ketelaars

De waarde van de Vrijmetselarij

Geplaatst 14 jan. 2012 01:09 door Jeroen Ketelaars

U zult uw beeld hebben van wat de Vrijmetselarij is. Ook zult u gemerkt hebben dat Vrijmetselaars een besloten gemeenschap vormen. Dat is onze keuze en wij zien daar meerwaarde in. Anderzijds maakt dit, dat het voor u moeilijk is om zich een beeld te vormen wat lidmaatschap van de Vrijmetselarij voor u kan betekenen. Graag wil ik de waarde van de Vrijmetselarij voor mij onder woorden brengen, zonder te beschrijven wat Vrijmetselarij nu eigenlijk is. Ik beschrijf dus de waarde en niet de werking en ontologie.

 

Laten wij eerst eens om ons heen kijken en zien wat er in de wereld gebeurd is de laatste 300 jaar. De mijns inziens belangrijkste verandering is de individualisering van de maatschappij. Mensen kiezen er steeds bewuster voor om zelf hun eigen leven in te vullen en niet meer klakkeloos de dogma's van kerk en staat over te nemen. Dat is een goede ontwikkeling, maar heeft een belangrijk nadeel. Het individu is daarmee op zichzelf aangewezen om zingeving voor zijn leven te zoeken. Ook is het individu op zichzelf aangewezen om een gemeenschap te zoeken waarbinnen hij maatschappelijk kan verkeren. Met name de laatste 50 jaar heeft dit proces zich, door de snelle secularisering van de maatschappij, doorgezet.

 

Daarmee is de voor mij belangrijkste waarde van de Vrijmetselarij direct al neer gezet. We zoeken binnen de Vrijmetselarij naar zingeving en groepsparticipatie, zonder dogma's van maatschappelijke inrichting en religie. Maar hoe werkt dat dan?

 

Laat ik beginnen met gemeenschap. Wanneer heeft u voor het laatst een diepzinnig gesprek gehad met iemand die u niet kent? Door de individualisering zijn maatschappelijke contacten oppervlakkiger geworden. We kennen de bakker op de hoek niet meer. Diepgaande interactie hebben we alleen met onze naasten. We lopen daarmee het risico dat onze persoonlijke ontwikkeling wordt gehinderd door het gebrek aan verfrissende impulsen. Binnen de Vrijmetselarij hebben wij daar oplossingen voor. Natuurlijk, u wordt lid van een loge en ook deze groep is in eerste instantie een vrij kleine groep. Toch zult u voordeel hebben van de heterogeniteit van de eigen loge en diepzinnige gesprekken met uw logegenoten hebben. Daarnaast wordt u lid van een wereldwijd netwerk van Vrijmetselaars, 6000 in Nederland en een veelvoud daarbuiten. U zult merken dat bij een bezoek aan een andere loge er geen gebrek aan verfrissende impulsen zal zijn. Voor u het weet zit u aan de maaltijd met broeders die u slechts enkele uren daarvoor ontmoet hebt. Broeders die net als u op zoek zijn naar een inspirerend gesprek en een leuke avond.

 

Eén van de bindende waarden die Vrijmetselaars met elkaar delen, is dat ze een beter mens willen worden. Niet beter dan iemand anders, maar beter dan ze nu zelf zijn. Daarvoor moeten we eerst definiëren wat beter dan is. Iedereen is vrij in die keuze en kiest zijn eigen morele kompas. Het gebruiken van dit kompas en op uw weg blijven voortgaan zijn echter andere zaken. Hoe vaak gebeurt het niet dan goede voornemens rond je jaarwisseling halverwege januari alweer in de vergetelheid zijn geraakt? De Griekse filosofen noemen dit akrasia, de verbluffende aanleg te weten wat we moeten doen, gecombineerd met een hardnekkige weerzin, ingegeven door wilszwakheid dan wel verstrooidheid, om dit ook werkelijk te doen. Bij de vrijmetselarij zult u ontdekken dat onze werkwijze en gebruikte symbolen u zullen helpen uw morele kompas te richten. Bijna als vanzelf verbindt u uw keuzes aan de rituelen en symbolieken die wij toepassen. Door het herhaald uitvoeren van rituelen en herhaald de symbolen onder de aandacht te brengen, zult u in staat zijn om uw morele kompas, uw reis naar een beter mens, continu onder de aandacht te houden en verder scherp te slijpen.

 

Onze dagelijkse beslommeringen houden ons het grootste deel van onze tijd bezig. Zo erg dat we soms het zicht op het grotere geheel verliezen. Soms lopen we in valkuilen. We komen in situaties waar we geen uitweg meer kunnen vinden. Wisselen van perspectief kan dan een oplossing zijn. Door met andere ogen naar de werkelijkheid te kijken, zien we het grotere geheel. We nemen rijker waar. Daarnaast oordelen we ook anders, wanneer we situaties van een andere kant bekijken.

Kunst en architectuur zijn instrumenten om op een andere manier naar dingen te kijken. De symboliek van de Vrijmetselarij heeft een vergelijkbare functie. Doordat u met symbolen gaat werken, krijgen ze een bepaalde lading. Het is uw persoonlijke invulling en emotie verbonden aan een symbool, die maakt dat het symbool werkt. Het helpt u om op een andere manier tegen zaken aan te kijken. Door herhaald met een symbool te werken, blijft het actueel en wordt het steeds meer ingekleurd. Sommige symbolen van de Vrijmetselarij zullen u meer aanspreken dan anderen. De symbolen die u het meeste aanspreken zullen zo'n schoonheid hebben, dat ze u herinneren aan uw eigen innerlijke schoonheid.

 

Het leven gaat niet altijd over rozen. Er zullen momenten zijn waarop alles lukt en het leven mooi is. Ook zullen er momenten zijn waarop het tegenzit. Het kan te maken hebben met gezondheid, gemoedsrust en uw materiële situatie. Vrijmetselaars hebben dezelfde problemen. Het is dan ook een geruststelling dat u in de Vrijmetselarij een omgeving zult vinden waarin u veilig bent. Als feilbaar mens bevindt u zich tussen andere feilbare mensen. Maar wel mensen die de bereidheid hebben naar elkaars zorgen te luisteren en voor elkaar te willen zorgen. Het biedt een warm nest op momenten dat u dat nodig heeft. En het stelt u in de gelegenheid zorgzaam te zijn voor anderen, wanneer zij dat nodig hebben.

 

Uiteraard kunt u alle bovenstaande zaken ook zelf organiseren. Het instituut Vrijmetselarij biedt echter een omgeving waarin dat gemakkelijker en effectiever zal zijn. Het biedt een veilige omgeving om je kwetsbaar op te stellen en ook fouten te maken. Het biedt een gemeenschappelijke taal waarmee de onderlinge uitwisseling van ideeën effectiever is. Het biedt schaalgrootte, waardoor u eenvoudiger toegang krijgt tot de inzichten van andere Vrijmetselaars. Onze periodieke uitgaven, wekelijkse bijeenkomsten en bezoeken aan andere loges bieden steeds weer nieuwe perspectieven en warme contacten. Het zijn de bouwstenen die u kunt gebruiken om te werken aan een goed en zinvol leven.

 

Zonder u te kennen en zonder voorwaarden vooraf, zijn alle Vrijmetselaars bereid samen met u te reizen op uw levenspad.
 
Met de meest hartelijke groet,
 
Paul Ruijgrok

Socrateslezing 2011 door Bas Heijne

Geplaatst 29 dec. 2011 05:10 door Jeroen Ketelaars   [ 23 dec. 2015 01:23 bijgewerkt ]

AapjeBas Heijne (1960) is schrijver, vertaler en essayist. Hij is sinds 1992 redacteur van NRC Handelsblad en sinds 2001 columnist. Heijne studeerde af in Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.  In 2008 was Heijne presentator van het VPRO-programma Zomergasten

Hij verzorgde de Socrateslezing 2011, georganiseerd door het Humanistisch Verbond. Uitgangspunt was te onderzoeken wat humanisme zou kunnen zijn in een tijd waarin het verlichte mensbeeld wordt uitgedaagd door religieus fundamentalisme en populistisch nationalisme. Lees hier de tekst van die lezing.

Kan iemand die doofstom is God leren kennen? Het is vermoedelijk geen vraag die u uit uw slaap zal houden, maar voor Thomas Gallaudet, een Amerikaanse predikant die in de negentiende eeuw leefde en zich het lot van de dove medemens aantrok, was het een kwestie van het hoogste belang. Vlak voor zijn dood hield hij een preek waarin hij vurig voor godsdienstonderricht voor doofstommen pleitte. Volgens hem was daar nog een wereld te winnen. Van nature hadden mensen zonder spraak en gehoor weliswaar geen gevoel voor godsdienst – en meestal waren ze ook niet vertrouwd met Gods woord – maar dat betekende niet dat ze, zoals velen van zijn tijdgenoten meenden, nooit goede Christenen konden worden. Dat kon wél, je moest er alleen een beetje je best voor doen.

In zijn preek voerde de Amerikaanse dominee een doofstomme man op, bij wie ,,glimpen van waarheid waren begonnen de geestelijke duisternis waarin hij verkeerde te verdrijven.’’ Gallaudet vroeg de man te beschrijven wat hij had gevoeld toen hij een vriend van hem had zien sterven. Het antwoord gaf een schokkend inkijkje in een geestloze geest. Toen zijn vriend stierf zag de doomstomme, zei hij, enkel ,,het einde van het zijn; de vernietiging van alles wat een mens tot mens maakte. Ik had geen notie van een bestaan voorbij het graf. Ik wist niet dat er een God was die de wereld die Hij heeft geschapen bestiert. Ik had niet het gevoel dat ik verantwoording aan Hem verschuldigd was. Heel mijn ziel was erop gericht mijn sensuele aanvechtingen te bevredigen; ik hield me bezig met mooie kleding, met vermakelijk amusement, en hoopte slechts op groeiende welvaart en op een vrolijk en schitterend leven.’’

Het is niet moeilijk je de blik van ontzetting op het gezicht van de predikant voor te stellen toen hij deze getuigenis neerpende. Een autonoom individu dat alleen aan zichzelf verantwoording wenst af te leggen, een mens die zijn leven als eindig beschouwt en zodoende zoveel mogelijk probeert te genieten – kon het erger? Gelukkig bracht de godsdienst uitkomst. Zodra de doofstomme God had leren kennen, beweerde Gallaudet, bewoog diens geest zich niet langer in de enge kring van kortstondige bevredigingen, maar richtte zich ferm op het eeuwige leven na de dood. Aanvankelijk onderscheidde het bestaan van de doofstomme man zich nauwelijks van een herkauwende koe in de wei – nadat de geestelijke echter zijn ogen had geopend, kwam hij in aanraking met de geest der rechtvaardigen die volmaakt waren gemaakt door de hand van God.

Om het eenvoudiger te zeggen, er was een beest tot mens gemaakt.

Eerlijk gezegd, geloof ik die getuigenis niet erg. De Britse academica Joanna Bourke, die de preek citeert in haar boeiende boek What it Means to be Human?, een studie over de aanhoudende drang van de mens om zichzelf te definiëren ten opzichte van het dier en zijn medemens, gaat ervan uit dat de doofstomme zijn verhaal in gebarentaal of schriftelijk aan de dominee vertelde. Ik vermoed dat de dominee het grotendeels verzonnen heeft, of in ieder geval flink heeft bijgekleurd. Wanneer het om een hogere waarheid gaat schrikken fervente gelovigen – gelovigen in wat dan ook – er meestal niet voor terug de feiten naar hun hand te zetten. Voor De Amerikaanse geestelijke was een leven pas zinvol wanneer een mens God leerde kennen en in zijn ijver maakte hij de bekering van de doofstomme man exemplarisch. Een leven dat zich volledig richtte op tijdelijke, onbenullige, materiële zaken kon pas betekenis krijgen, wanneer je bij jezelf de behoefte erkende dat alles te willen overstijgen, wanneer het verlangen naar transcendentie in je ontwaakte. De doofstomme man stond voor dominee Gallaudet symbool voor de onbewuste, onwetende mens.

Wij kunnen ons vrolijk maken over zelfgenoegzaamheid van de Amerikaanse predikant, wiens zoon overigens de eerste en tot dusver enige universiteit voor doven stichtte. Maar lees hem goed en je ziet: wat achterhaald is, is uiteindelijk vooral zijn gezwollen, belerende toon. Wat hij zegt, waar hij zich druk over maakt, raakt, wanneer we zijn Victoriaanse retoriek en God-gewauwel wegstrepen, verrassend aan de preoccupaties van onze eigen tijd. Bij nadere beschouwing lijkt het leven van de negentiende-eeuwse doofstomme man verdacht veel op dat van de moderne burger/consument, die in zoveel hedendaagse cultuurkritiek tot doelwit wordt gemaakt.

Een individu dat losgeraakt is van alle grote verbanden, een individu dat louter op persoonlijke behoeftebevrediging gericht is; de moderne hyperconsument die zijn leven vult met seks, geld, mode en shoppen, een individu dat God noch gebod erkent en zichzelf als maat van alle dingen neemt – dat is precies de mens waar de dominees van onze tijd zich dagelijks druk over maken, op de opiniepagina’s, in praatprogramma’s, in filosofische studies en maatschappijkritische pamfletten. Die dominees van nu komen als remedie weliswaar nog maar zelden met de God van de Christenen aanzetten, maar verder is er verrassend weinig veranderd. Met de negentiende-eeuwse predikant hebben ze gemeen dat ze er vanuit gaan dat een mens, zich eerst van zijn slaafse beperkingen moet ontdoen, zich eerst bewust moet worden van hoe onbevredigend de objecten van zijn wereldse hartstochten zijn, voordat hij een rijker en zinvoller leven kan gaan leiden. Noem het levenskunst, noem het cultuurkritiek, noem het engagement; noem het ,,bewust leven’’ , noem het ,,awareness’’ of ,,mindfulness’’; noem het communitarisme, noem het ,,Occupy’’ of ,,nieuw burgerschap’’ – vrijwel dagelijks wordt van ons gevraagd dat we aan onszelf werken, of aan de wereld. Hoe verschillend van aard en intentie ook, het zijn evenzoveel oproepen aan de mens om zijn eigen beperkte, materialistische preoccupaties te overstijgen, om de wereld te laten zien dat hij meer is dan hoe de Victoriaanse geestelijke de doofstomme mens zag – een herkauwende koe in de wei.

De vage transcendentie van de Victoriaanse God van dominee Gallaudet mag een herinnering aan herinnering zijn geworden, de lessen die hij zijn doofstomme proefkonijn wilde leren, blijken springlevend.

Waarom is dat? De Victoriaanse dominee schreef zijn pamflet zeven jaar voor het verschijnen van Charles Darwin’s The Origins of the Species. Dat revolutionaire boek, dat het licht zag midden in het Victoriaanse tijdperk, bezorgde juist mensen als de eerwaarde Gallaudet een geestelijke optater. Met zijn evolutietheorie bekrachtigde Darwin namelijk impliciet het wereldbeeld van de doofstomme getuige van vóór zijn bekering. Want wat bleek: de mens stond inderdaad gevaarlijk dicht bij de grazende koe in de wei. En de kans dat hij ooit dichter bij God zou komen was miniem. Alles wees erop dat het leven eindig was, precies zoals de doofstomme het zich had voorgesteld. Als er een Schepper was, een mogelijkheid die Darwin naar buiten toe nooit helemaal uitsloot, dan was er in ieder geval ook een hele goede vernietiger: van geest en lichaam bleef niets over. De mens bleek in leven en dood onderdeel van de natuur, zoals de andere dieren.

En het kon nog erger: de mens mocht dan volgens zichzelf met kop en schouders boven de dieren uitsteken, hij was niet op aarde met een bedoeling. Dat hij ergens vandaan was gekomen, bleek slechts een samenloop van omstandigheden. Hij was, zo volgde uit de theorie van Darwin, ook nergens op weg naartoe. Zoals Darwin schreef in zijn Autobiografie: ,,Er lijkt niet meer sprake van opzet in de variëteit van organische wezens en in het verloop van natuurlijke selectie, dan in de richting waarin de wind waait.’’

Die boodschap was zo radicaal, dat ook Darwin haar niet helemaal kon verkroppen. In zijn boek Het onsterfelijkheidscomité citeert de Britse politiek filosoof John Gray de laatste zin van The Origins of the Species, waarin Darwin stelt dat het proces van de natuurlijke selectie, mits het niet wordt verstoord door een catastrofe, de mens geestelijk en lichamelijk voorwaarts naar een staat van perfectie zal brengen. Progress to perfection – volgens Gray laat die ambivalentie zien hoe moeilijk de nieuwe werkelijkheid volgens Darwin te accepteren was – zelfs voor de man die de mensheid het licht had doen zien.

Het boek van Gray gaat over de generaties ná Darwin, de Britse bovenlaag van politici, bestuurders en denkers, die het Christendom hadden losgelaten en Darwins theorie rationeel onderschreven, maar er tegelijkertijd slecht mee konden leven. Tijdens de jaren voor de Eerste Wereldoorlog ontstond er in die weldenkende kringen een ware cultus rond het zoeken van contact met de doden, door middel van de chique versie het tafeldansen – en zogenaamd medium zocht contact met een dierbare overledene en noteerde diens gedachten door middel van het zogenaamde ,,automatic writing’’. Het idee dat van de geest van een dierbare of geliefde na diens dood helemaal niets zou overblijven, bleek onverdraaglijk – die moest dus ergens aan gene zijde verkeren. De waarheid van Darwin bleek eenvoudig te hard, de menselijke verbeelding zocht onwillekeurig naar vluchtwegen die wetenschappelijk te verantwoorden waren.

Ook in het revolutionaire Rusland van de eerste helft van de twintigste eeuw, laat Gray in zijn boek zien, weigerde men zich neer te leggen bij de dood als het definitieve einde van alles – bij een Nieuwe Wereld hoorde een Nieuwe Mens, en het moest mogelijk zijn daar zo aan te sleutelen dat de dood tot een verwaarloosbare bijzaak werd. Als het leven van nature geen zin of doel had, dan zou de mens daar zelf wel voor zorgen – door het leven met technologische middelen naar zijn eigen hand te zetten.

Wie gedacht had – en dat waren er velen – dat zulke tragische of potsierlijke episodes deel uitmaakten van een natuurlijk proces van gewenning aan het idee van de mens volgens Darwin, kwam bedrogen uit. De neiging tot geloven bleek te sterk. Traditionele religies maakten, zoals vaak is vastgesteld, plaats voor seculiere religies, zoals het fascisme en het communisme. En zodra die verdwenen waren, kwam God gewoon weer terug.

In de media gaan de debatten nu gewoon weer over godsdienst – of over de dreiging van dat nieuwe seculiere geloof, het hedendaagse populisme. Want met God keerde ook de behoefte aan onvervreemdbare eigenheid weer terug, wat gepaard ging met de nadruk op gedeelde culturele in plaats van gedeelde menselijke waarden. Zowel de erfenis van de Verlichting als die van Darwin liggen nu weer onder vuur, soms met een verbetenheid die aan de debatten in de negentiende eeuw doen denken.

Voor veel wetenschappers is dat moeilijk te verkroppen. Loop even een boekhandel binnen en je stuit op een waar subgenre: boeken over radicale denkers uit het verleden, die de moed hadden de waarheid over de mens onder ogen te zien. Ik doe een kleine greep.

In The Swerve; How the World Became Modern, dat onlangs verscheen, probeert Renaissance-specialist Stephen Greenblatt te laten zien hoe de herontdekking van de tekst van Lucretius’ De rerum natura in een Duits klooster aan het begin van vijftiende eeuw, het begin van de moderniteit inluidde. In dat lange gedicht beweerde de Romeinse dichter ruim vóór Christus, in navolging van zijn leermeester Epicurus, dat heel de wereld uit dezelfde materie bestond, namelijk atomen. Lucretius wist ook dat het leven eindig was en dat de mens niet als kroon op de schepping kon worden bestaan, omdat er domweg geen Schepper was.

Andere hedendaagse historici, zoals Stephen Nadler, Jonathan Israel en Philipp Blom, wijzen op een latere periode, die van de zogenaamde ,,radicale Verlichting’’ als ijkpunt voor onze tijd. De radicale lessen van de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza, stellen zij, de een explicieter dan de ander, zijn in onze tijd nog steeds onvoldoende geleerd. Of erger nog: het leek er een tijd op dat ze geleerd waren, maar ze dreigen weer vergeten te worden – met gevolgen die wel eens fataal zouden kunnen blijken te zijn. Steeds opnieuw blijkt de mens een meester in het ontkennen van de harde waarheid rondom zijn bestaan en afkomst. Het humanisme van de Renaissance en later de Verlichting blijken niet voorgoed te hebben afgerekend met obscurantisme en religieus fanatisme. Wat nu weer dreigt is een achterlijk theïsme, inperking van de menselijke vrijheid in naam van God, onverdraagzaamheid, uitsluiting en vernietiging uit naam een Heilige tekst.

De boeken die ik zo even noemde, en je zou er met gemak een waslijst van kunnen maken, worden gepresenteerd als ideeëngeschiedenis, maar ze verraden de preoccupaties van onze tijd. Het zijn bezorgde boeken, waarin wordt teruggegrepen op historische episodes waarin het rationele denken tegen de klippen op een hoge vlucht bereikte. Het is zeker de bedoeling van de auteurs dat wij er les uit trekken voor onze tijd. De humanisten van de Renaissance, de teruggetrokken Joodse lenzenslijper Spinoza, de Franse radicale denkers die in de salon van baron d’Holbach, zij durfden het aan radicaal verlicht te zijn. Op gevaar van eigen leven gaven ze elkaar door de tijd heen brisante kennis door die voor hij tijdgenoten onverdraaglijk werd gevonden – zelfs door gematigde verlichtingsdenkers, zoals Voltaire, die bleven een volharden in een tam deïsme, terwijl ze eigenlijk beter hadden moeten weten.

Laat ik twee voorbeelden geven waaruit blijkt dat zulke boeken een boodschap voor onze tijd bevatten, die ten koste gaat van de objectieve geschiedschrijving. In zijn op zich lezenswaardige boek Het verdorven genootschap, over de radicale salon van baron d’Holbach, suggereert hij net als anderen voor hem, dat Spinoza de stille kracht was achter de radicale tak van het Franse Verlichtingsdenken. Dat leidt tot suggestieve zinnen als: “Het is wel duidelijk waarom Diderot en Holbach ervoor kozen om de beruchte ketter Spinoza niet openlijk in hun werk te noemen. Als ze eerlijk hadden gezegd dat ze zich door zijn ideeën lieten leiden, zou dat gevaarlijk voor hen geweest zijn, ook al kwamen Holbachs werken anoniem uit.”

Ook Stephen Greenblatt stelt in zijn boek over de herontdekking van Lucretius tijdens de Renaissance, dat de gevestigde macht van die tijd, lees de kerk, er alles aan gelegen was om die gevaarlijke kennis voor de wereld verborgen te houden. De classicus Jona Lendering, die het boek in NRC Handelsblad besprak, wijst erop hoe weinig die stelling onderbouwd wordt. Na een aantal bezwaren tegen het boek te hebben ingebracht, schrijft hij dat zijn grootste punt van kritiek Greenblatts schets van het christendom betreft, dat ,,vijandig tegenover Lucretius’ gedicht zou hebben gestaan. Inderdaad staan Lucretius’ opmerkingen over de afzijdigheid van de goden en het niet-voortleven van de ziel op gespannen voet met de christelijke leer, maar dat belette monniken niet het gedicht te kopiëren. […] Aan de hand van passages uit diverse kerkvaders illustreert Greenblatt vervolgens hoe diep de christelijke haat tegenover niet-christelijk materiaal zou zijn geweest. De auteurs die hij kiest zijn echter niet representatief voor het pluriforme christendom. De kerkvaders waren verdeeld over de waarde van de niet-christelijke teksten, die ze even vaak bestreden als gebruikten.

Terugkerend naar Lucretius stelt Greenblatt dat de christenen alles deden om de dichter zwart te maken en dat er een ‘grand design’ was om niet alleen het lezen van De natuur van de dingen te ontmoedigen, maar ook om datgene wat eenvoudig en natuurlijk was – dat een mens wil genieten – te presenteren als niet-navolgenswaard. […] Daarbij gebruikt hij wat in zijn straatje past en laat hij weg wat hij niet kan gebruiken. The Swerve is zo geen wetenschappelijk boek, waarin ook informatie wordt geëvalueerd die de these ondergraaft, maar eerder een soort requisitoir. De aanklacht dat er een ‘grand design’ was om een tekst voor de mensheid verborgen te houden, met het Vaticaan als boosdoener, is leuk als complottheorie, maar beneden het peil van een hoogleraar.’’

Ik citeer de recensie van Lendering zo uitgebreid, omdat zijn bezwaren iets blootleggen. Want, zoals gezegd, we hebben hier met een genre te maken. Je zou het kunnen beschouwen als de fatsoenlijke, intellectuele pendant van een ander populair genre – dat van de schijnopenbaring. In boeken van de laatste soort, zoals de wereldwijde bestseller De Celestijnse belofte, gaat het om de onthulling van geheime kennis over onze op het eerste gezicht zo alledaagse wereld, een verdonkermaand pseudomystiek geheim dat ons leven een opwindende metafysische dimensie lijkt te geven. In de werken die ik noemde wordt het omgedraaid: het is de waarheid over de aard van ons bestaan die niet bekend mag worden, omdat de Kerk zich erdoor bedreigd voelt. De besteller De Da Vinci Code is het meest sensationele fictievoorbeeld in dit genre, maar ook gedegen, serieuze historische studies als The Swerve voegen zich naar dat stramien. Ze simplificeren een historische werkelijkheid om voor ons in het heden een punt te maken.

De geheime kennis die in boeken als geopenbaard wordt, is dit keer juist a-mystiek en anti-religieus. Werd de doofstomme in het pamflet van dominee Gallaudet bevrijd doordat zijn hopeloze beperkte blik in aanraking kwam met de hogere waarheid van Christus, in deze populaire geschiedenisboeken is het precies andersom: de onthulling schuilt in de wetenschappelijke blik op de wereld, het onder ogen zien van een universum dat zuiver uit materie bestaat. Dat die kennis verpakt wordt in een op historische feiten berustend, spannend verhaal, waarin allerlei boze en verblinde machten erop uitzijn die kennis voor de wereld verborgen te houden, zodat die in het geheim op generaties moet worden doorgegeven, krijgt de materialistische wereldbeeld opnieuw de glans van de betovering.

Dit soort boeken – wetenschappelijk, maar ook pamflettistisch – zijn een reactie op de grote verwachting die niet is uitgekomen, namelijk dat het humanisme van de Renaissance, de Verlichting en de wetenschappelijke revolutie van Darwin een einde zou maken aan religieus geloof en bijgeloof. Zoals de bioloog en filosoof Daniel Dennett, een fanatiek Darwinist, een paar jaar geleden tegen mij opmerkte tijdens een interview dat ik met hem had voor NRC Handelsblad: ,,De filosofen van de Verlichting dachten oprecht dat de godsdienst in het niets zou oplossen. Dat hebben ze verkeerd gezien. We beginnen nu in te zien dat ook religie deel uitmaakt van het evolutionaire proces.’’

Met andere woorden, een van de evolutionaire bouwstenen waaruit de mens is zijn neiging tot geloof. Zoals in de tijd van Darwin vooruitstrevende geestelijken krampachtige pogingen ondernamen de nieuwe theorie te verenigen met hun geloof, zo zien hedendaagse evolutionisten zich gedwongen de religieuze impuls te erkennen ingebouwd in de mens zelf. Anders gezegd, zelfs als je zou kunnen aantonen dat God niet bestaat, zullen er altijd mensen zijn die in Hem geloven. En als we niet irrationeel in Hem geloven, dan geloven we wel irrationeel in iets anders. Betekenis is in de wereld wordt niet gevonden, betekenis in de wereld wordt gemaakt. De mens kan kennelijk niet anders.

Dat besef wordt tegenwoordig met toenemende stelligheid uitgedragen. Scan de nieuwste boeken in de filosofiesectie van Amazon en je stuit meteen op aangekondigde titels als Religion in Human Evolution, The Faith of the Faithless en natuurlijk op het nieuwste boek van de Britse bestsellerfilosoof Alain de Botton, Religion for Atheists, waarin hij – ik citeer de tekst van zijn Nederlandse uitgever ,,betoogt dat de seculiere samenleving veel kan leren van religies als het gaat om zaken als gemeenschapszin, ethiek, onderwijs en kunst.’’ Veelbelovend is het nog te verschijnen Why religion is natural and science is not, van de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Robert McCauley, waarvan je enkel de flaptekst hoeft te lezen om de strekking te bevatten:

,,De strijd tussen religie en wetenschap, rivaliserende manieren om de wereld en onszelf te leren kennen, woedt al vele eeuwen. Maar nu kijken wetenschappers zelf naar de cognitieve fundamenten van religie – en trekken enkele verbazingwekkende conclusies. […] In Why Religion is Natural and Science is Not stelt Robert N. McCauley, een van de grondleggers van de cognitieve godsdienstwetenschap, dat onze hersenen beter zijn toegerust voor religieus geloof dan voor wetenschappelijk onderzoek. Gebruik makend van het nieuwste onderzoek en zijn betoog illustrerend met alledaagse voorbeelden, beweert McCauley dat religie in alle samenlevingen duizenden jaren lang heeft bestaan omdat het soort van verklaringen die zij biedt precies diegene zijn die de menselijke geest het meest natuurlijk voorkomen. De wetenschap daarentegen is een veel recentere en veel minder algemene ontwikkeling, omdat ze radicale conclusies trekt en een manier van abstract denken vereist die alleen onder zeer specifieke sociale omstandigheden kan wordenn volgehouden. Religie begrijpen wij intuïtief, terwijl de wetenschap veel inspanning vereist. Vervolgens gaat McCauley dieper in op de gevolgen van deze ontdekkingen. De natuurlijkheid van religie, oppert hij, betekent dat ze nauwelijks door de wetenschap wordt bedreigd, terwijl de onnatuurlijkheid van de wetenschap die in een bijzonder kwetsbare positie brengt.’’

Bijna honderdzestig jaar nadat de eerwaarde Gallaudet zijn pamflet over het nut van godsdienstonderricht voor doofstommen publiceerde, is de cirkel weer rond. Hoe geloofwaardig de stelling van McCauley is, kan ik als leek niet beoordelen – zijn boek verschijnt bovendien pas volgende maand bij de Oxford University Press – maar duidelijk is dat hij de vermeende tegenstelling tussen het wereldbeeld van Darwin en dat van de Amerikaanse dominee opheft. De godsdienstwetenschapper lijkt te willen verzoenen wat zo lang onverzoenlijk leek. Met Darwin en zijn navolgers als getuige stelt hij dat het wereldbeeld van Gallaudet, vol verlangen naar metafysische zin en verlossing, natuurlijker en dus ook ,,menselijker’’ is dan dat van de historici die ons de radicale Verlichting tot voorbeeld stellen. Voltaire met zijn slappe deïsme was misschien dus zo gek nog niet.

Een tijdlang konden we denken dat God zou verdwijnen omdat hij een menselijke uitvinding bleek te zijn – en nu lijkt het erop dat hij niet zal verdwijnen juist omdat hij een menselijke uitvinding is. Wat betekent dat? Moet het humanisme ruimte maken voor religie omdat de neiging om mens en wereld een metafysische betekenis toe te dichten, zo door-en-door menselijk is? Zoals ik aan het begin van deze lezing opmerkte: net als de doofstomme man in het Victoriaanse Engeland wordt ook de hedendaagse mens voortdurend aangespoord om zijn leven zin en diepte te geven. De wetenschap dat het leven an sich geen doel of zin heeft, is voor de meeste mensen onverdraaglijk. Liever nog dan die waarheid onder ogen te zien, gaat men op zoek naar een vervangend geloof. We kunnen niet anders.

Heel mooi zie je dat verbeeld in de recente Amerikaans film Margin Call. Die film gaat over een grote financiële instelling a la Lehman Brothers, die aan de vooravond van de bankencrisis van 2008 ontdekt dat het bedrijf op de rand van de ondergang verkeert. Langzaam dringt die waarheid door in de hoofden van de werknemers: ze beseffen dat het niet om een ongelukje gaat, maar dat het systeem waar ze zich met hart en ziel aan hebben uitgeleverd, zelf door en door verrot is. De verstandigste van hen, gespeeld door Kevin Spacey, wil niet langer meedoen wanneer van hem gevraagd wordt in een laatste reddingspoging de markt te overspoelen met waardeloze opties. Maar uiteindelijk zwicht hij, omdat hij zich geen ander leven kan voorstellen dan in dienst van de bank. Uittreden is onmogelijk voor hem – zijn wereldbeeld valt helemaal samen met het systeem waar hij onderdeel van uitmaakt, ook al beseft hij nu dat het niet deugt, dat hij zijn ziel aan een slechte zaak heeft verkocht. Hij weet rationeel wel dat hij een hopeloze zaak dient, die hij zo gauw mogelijk achter zich zou moeten laten – maar hij kan het domweg niet. Hij kan zijn geloof niet opgeven, omdat hij in niets anders gelooft.

Wanneer de mens van nature geneigd is op zoek te gaan naar iets dat groter is dan hemzelf, iets dat zijn wereld samenhang en betekenis geeft, betekent dat dan ook dat hang naar groepsvorming en culturele eigenheid, zoals die door politieke bewegingen als Vlaams Belang, de Echte Finnen, de Zwitserse Volkspartij en Oostenrijke FPÖ en in Nederland de PVV wordt vertolkt, in onze genen zit? Wanneer wetenschappers als McCauley gelijk hebben en de mens beter is uitgerust om de wereld te verklaren in religieuze termen dan door middel van de wetenschap, dan zou ik niet verbaasd zijn wanneer dat ook blijkt te gelden voor de behoefte aan culturele eigenheid, groepstrots, clubgevoel, rassenwaan versus het het verlichte ideaal van een leven met de Universele Rechten van de Mens als leidraad.

Het accepteren van iemands menselijkheid los van zijn afkomst en cultuur is rationeel niet zo moeilijk. Zeker na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog was er de breedgedragen, bij uitstek humanistische verwachting dat het de mens ooit zou lukken zijn oorsprong en afkomst te overstijgen en de ander te herkennen als drager van essentieel menselijke waarden – het maakte niet uit waar je vandaan kwam, of je een Lap, een Zuid-Afrikaan of een Chinees was, een ieder kon aanspraak maken op dezelfde rechten en er waren menselijke waarvan gedacht werd dat iedereen ze kon delen – zie de verklaring van de Rechten van de Mens. Paradoxaal genoeg maakte juist die overtuiging ook het multicultarisme mogelijk: er was niets mis wanneer mensen uit verschillende culturen hun eigen gang gingen, we vonden elkaar wel in onze gedeelde menselijkheid.

Maar in de praktijk bleek dat idee vaak genoeg een lege abstractie. Ik moet denken aan een ontmoeting van een aantal jaren geleden. Met een Indiase vriend bezocht ik een sloppenwijk vlak bij het vliegveld van Mumbai. We werden in een kleine ruimte ontvangen door twee vrouwen, een oude en een jonge, die daar een soort buurtwacht vormden. Het was duidelijk dat de formidabele dames gezag genoten, tijdens ons gesprek kwamen voortdurend mannen binnen, die eerbiedig gehurkt tegen de muur van de kleine ontvangstruimte gingen zitten, terwijl de twee vrouwen op hoge vergulde stoelen audiëntie hielden. Er waren daar in de jaren negentig vreselijke rellen geweest tussen hindoes en moslims; nog altijd waren er af en toe grote spanningen en incidenten. De twee vrouwen wilden er niets van weten – ze spraken de taal van wat ik het Michael Jackson-humanisme noem: Waarom elkaar haten wanneer we allemaal mensen zijn? We kunnen nog zo verschillend lijken, merkte de oudste van de twee vrouwen op, maar het bloed in onze aderen heeft dezelfde kleur. Waarom elkaar doden uit naam van onze goden, die ons opdragen elkaar respect en mededogen te tonen?

De mannen tegen de muur knikten bij iedere volzin. Maar toen mijn vriend informeerde naar een recent incident in de sloppenwijk, waarbij hindoes een moslimfamilie hadden aangevallen, veranderde de toon subiet. Natuurlijk moesten hindoes en moslims vreedzaam samenleven, verklaarde de oudste van de twee vrouwen, maar het kon niet allemaal van een kant komen. Het gaf de moslims nog niet het recht alle goede banen in te pikken. En wisten we dat de drugshandel vrijwel helemaal in handen was van moslims? En wat het geloof betrof – waarom zou je tolerant zijn wanneer de ander het niet was? Zo ging het nog een tijdje door. Het viel me op dat de twee vrouwen een stuk geanimeerder spraken dan toen ze hun humanistische opvattingen beleden. Dat kwam omdat ze niet langer over abstracties spraken, maar over wat zij als de harde werkelijkheid beschouwden. Die werkelijkheid lag stevig ingebed in een locale en culturele context. Die werkelijkheid had ook een geschiedenis. De kleur van het bloed in onze aderen deed er ineens een stuk minder toe.

Dames en heren, in een onbewaakt moment heb ik tijdens een voorbespreking met de organisatie deze lezing de titel ,,Militant humanisme’’ gegeven. Dat klinkt tenminste strijdbaar, niet zo hopeloos passief. We willen immers niet als koeien in de wei zijn, we willen ons actief engageren met de wereld, we willen dat begrippen als tolerantie, medemenselijkheid en hulpvaardigheid handen en voeten krijgen. We willen de uitwassen van de menselijke neiging tot geloof het hoofd kunnen bieden, net als de ontsporingen van het verlangen naar eigenheid en onvervreemdbare bloedgroepen.

Maar met militant bedoel ik niet het geloof dat lovenswaardige menselijke eigenschappen als tolerantie en geloof in democratische waarden met geweld kunnen worden afgedwongen, zoals de voorstanders van humanitaire interventies in de jaren achter ons dachten. ,,Mensenrechten kun je niet opleggen,’’ zoals de Amerikaanse publicist en oorlogscorrespondent David Rieff vaststelde, nadat hij jarenlang naar eigen zeggen een ,,liberale imperialist’’ was geweest. Wie met geweld een einde maakt aan een dictatuur, moet meestal aanzien dan de mensen die hij bevrijd heeft, ogenblikkelijk terugvallen op hun onderdrukte besef van culturele of religieuze eigenheid en locale affiniteiten. [Arabische lente] Telkens weer blijkt het locale sterker dan het globale, het specifieke van meer betekenis dan het algemene. Dat komt, zoals de Britse schrijver en journalist Jason Burke laatst tegen me zei, ,,omdat mensen zo verdomd koppig zijn.’’

Dat besef, dat de wereld niet maakbaar is juist omdat je met verdomd koppige mensen te maken hebt, vind ik waardevoller dan welke verheven gedachte over de broederschap der mensheid dan ook. Alle mensen zullen nooit broeders worden, dat lijkt nu wel zeker. En ook zal het de mens waarschijnlijk nooit lukken zichzelf verantwoordelijk te maken voor de wereld die hij wel wil domineren maar niet kan bevatten. Wanneer de grond te heet onder zijn voeten wordt, zoekt hij onmiddellijk zijn heil bij wat het zekerheid lijkt te bieden: God en de groep.

Mijn humanisme, ik noem mijzelf graag een humanist, is ten diepste doordrongen van dat besef. De grootste humanist aller tijden, de Franse essayist Michel de Montaigne bekrachtigde in het laatste essay dat hij schreef zijn inzicht dat wanneer hij de mens wilde leren kennen, hij zichzelf in al zijn tegenstrijdigheden als uitgangspunt moest nemen. Hij schreef: ,,Ik bestudeer mezelf meer dan enig ander onderwerp. Dat is mijn metafysica, dat is mijn fysica.’’

Montaignes humanisme is niet het abstracte humanisme dat de verbroedering avn de mensheid voorstaat. Hij wil ook de wereld niet blijvend veranderen, omdat hij weet dat dat niet kan; hij pleit slechts voor bedachtzaamheid en matiging.

Ik geef toe, erg militant klinkt het niet. Maar zo’n soort humanisme betekent geenszins een uitnodiging om het hoofd maar te laten hangen, lijdzaam toe te zien hoe verschillende samenleving weer ruim baan maken voor intolerantie en onderdrukking, voor uitsluiting en vernedering. Integendeel. Maar het is zeker ook geen excuus voor smetvrees ten opzichte van radicaal andersdenkenden, je te verschuilen achter mooie, even abstracte en verheven principes en je hoofdschuddend af te vragen hoe het toch weer uit hand heeft kunnen lopen.

De laatste jaren wordt er driftig gedebatteerd tussen filosofen of er zoiets als vooruitgang bestaat. Critici van het verlichtingsdenken zeggen dat dat een religieuze gedachte is, de verwachting dat de mensheid zich voegt naar wat Darwin ,,progress to perfection’’ noemt. Kijk maar naar de vorige eeuw, zeggen zij, de onmiskenbare technologische vooruitgang heeft de mens in staat gesteld om nog barbaarser dan ooit te worden. Tegenstanders wijzen op de moeizaam bevochten emancipatie van groepen mensen die zelfs door humanisten vroeger niet als volledig menselijk werden beschouwd – vrouwen, zwarten, homoseksuelen – en ja doofstommen. Is dat geen vooruitgang? vragen zij. De slavernij is afgeschaft, martelen wordt wereldwijd veroordeeld, tegen de doodstraf grote weerzin.

Zij worden op hun beurt dan onmiddellijk weer van repliek gediend: de slavernij is afgeschaft, maar er zijn tientallen miljoenen slaven op de wereld. Het martelen werd in de Verenigde Staten nog maar een paar jaar geleden met rationele argumenten weer ingevoerd – en meer en meer mensen zijn tegenwoordig weer voor de doodstraf. Het lijkt er juist op dat de mens morele principes dankbaar aanvaard, om daarna gewoon weer zijn gruwelijke gang te kunnen gaan! De idealen van de Verlichting zijn een schaamlap, een doekje voor het bloeden.

Hoe moet je daar positie in kiezen. Na lang aarzelen ben ik tot de conclusie gekomen: wat mij betreft hebben beide partijen gelijk. Vooruitgang en terugval zijn twee kanten van dezelfde medaille. Dat lijkt me ook de uitdaging voor iedere vorm van hedendaags humanisme – een optimistisch geloof dat de wereld wel degelijk te verbeteren valt, getemperd door een groot wantrouwen in de menselijke natuur. Er is geen blauwdruk, er is geen zaligmakend recept, geen einddoel, geen definitief handvest. Er is geen oplossing. Er zijn, vrees ik, alleen mensen.

Dank u wel.

1-10 of 13